Foto bij H.149.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
'Ik ga je missen,' zeg ik dan, iets wat ik verassend weinig tegen mensen gezegd heb, ondanks dat afscheid van iemand moeten nemen waarschijnlijk veel makkelijker is wanneer je zoiets zegt. Ik heb het niet tegen Ammay kunnen zeggen, omdat ze te plotseling van me werd afgenomen. En ook niet tegen Evan, omdat ik niet mocht laten blijken dat er iets aan de hand was.
In de spiegel zie ik James zwakjes glimlachen en hij rijdt het parkeerterrein van het vliegveld op. 'Ik jou ook.'

Zodra we bij het vliegveld zijn aangekomen, legt James snel uit dat we mijn eigen spullen niet thuis op hebben kunnen halen, omdat er anders een kans is dat we onze vlucht dan missen. Hij zal alles meenemen wanneer hij over een tijdje ook naar huis komt. Ik vind het niet bepaald erg - ik heb mezelf de kans niet gegeven me ergens aan te hechten. Het voelde als verraad.
'Ik heb je kleren niet weggegooid, dus dat is geen probleem,' zegt Evan en hij probeert luchtig te klinken, maar we weten allebei dat het een gevoelig onderwerp is dat hij zich er blijkbaar niet toe kon zetten om mijn spullen in de vuilnisbak te kieperen. Ik vraag me af voor hoe lang hij ze zou hebben gehouden als ik wel echt weg was gebleven.
Ik neem afscheid van James en slik de brok in mijn keel weg op het moment dat hij wegrijdt. Evan geeft even een geruststellend kneepje in mijn hand en laat me daarna los. Hij trekt zijn jas uit en reikt me die uitnodigend aan.
'Hoeft niet,' wijs ik zijn aanbod koppig af.
Hij rolt met zijn ogen en zucht. ‘Als ik hier gezellig rond ga lopen terwijl jij geen jas hebt, zie ik er wel echt uit als ‘s werelds grootste klootzak.’
‘Ik heb het niet koud,’ lieg ik. Ik kijk kort naar hem om en zie dat hij me met een opgetrokken wenkbrauw aankijkt. Mijn armen heb ik om mezelf heen geslagen en ik zit onder de kippenvel. Het is misschien wel de meest doorzichtige leugen ooit.
Hij laat zijn hand even over mijn haar glijden en kijkt me dan aan met een blik die alleen bij hem niet beledigend is. Tot nu toe is Evan de enige die ik ooit tegen ben gekomen die me tot reden kan brengen zonder dat het minachtend overkomt. Misschien is hij wel de enige op aarde die met mijn halsstarrige karakter om kan gaan.
‘Ik heb het niet koud en je hoeft niks te bewijzen,’ zegt hij terwijl hij me aankijkt met zijn warme bruine ogen waaraan de herinneringen me de laatste tijd zo vaak in huilen uit heeft laten barsten. Dan verschijnt er een kleine glimlach om zijn lippen. ‘En ik wil, zoals ik al zei, liever echt geen super grote klootzak lijken.’
Ik kan een lachje niet binnen houden en geef de strijd op. Ik laat hem de jas om mijn schouders slaan en laat mijn hand in de zijne glijden. Het voelt alsof hij daar perfect past.
Wanneer we eenmaal zijn ingecheckt en langs de douane zijn gekomen, moeten we nog een uur wachten. Het is bijna de hele tijd doodstil. Er is een hele hoop wat we moeten bespreken, maar niet nu, niet hier. Ik wil niet vragen naar wat hij de afgelopen maanden allemaal gedaan heeft - of wie - en andersom heeft ook hij besloten dat het onderwerp te pijnlijk is om aan te snijden. Dus we zitten nog maar gewoon op een bankje, allebei in onze gedachten verzonken, maar toch tegen elkaar aan leunend, alsof we er alllebei niet eens aan willen denken om ook maar een beetje bij elkaar uit de buurt te blijven.
James is bang voor achtbanen. Ik ben bang voor vliegtuigen. Ik dacht dat ik het redelijk goed geheim kon houden, maar al vrij snel na het opstijgen heeft Evans hand de mijne gevonden en hij geruststellend geeft hij er een zacht kneepje in. Ik laat hem voor de rest van de vlucht niet meer los. Vermoeid zakken we een beetje tegen elkaar aan, schouder tegen schouder. Hij heeft zijn ogen gesloten, maar ik weet zeker dat hij wakker is. Iemand heeft hem bijna vermoord. Daar slaap je slecht van.

Wanneer een taxi ons vanaf het vliegveld bij zijn huis heeft afgezet, zie ik dat er een splinternieuwe, verschrikkelijke dure auto staan. Ik heb een tragisch gebrek aan kennis over auto's, maar ik denk dat het een Mercedes is.
‘Ik wist niet dat je je rijbewijs hebt gehaald,’ zeg ik verbaasd. Hij was al wel bezig met lessen, maar ik had niet verwacht dat het zo snel zou gaan.
‘Een maand geleden of zo.’
Ik kan een lachje niet onderdrukken. ‘En uiteraard koop je dan meteen zo’n dure auto.’
Hij is natuurlijk steenrijk, maar menig mens koopt een tweedehands roestbak als ze achttien zijn. Het vormt een vreemd contrast.
‘Vroege midlifecrisis?’ vraag ik.
‘Zoiets,’ murmelt hij, maar ik hoor hem er in zichzelf achteraan mompelen: ‘Het voelde eerder alsof mijn leven voorbij was.’
Ik bijt op mijn lip en doe alsof ik het niet gehoord heb. Waarschijnlijk zou ik mijn excuses aan moeten bieden, maar ik denk niet dat ik me ertoe zou kunnen dwingen om dat te doen zonder in tranen uit ge barsten. Ik heb hem zo ontzettend veel pijn gedaan.
Wanneer we naar binnen lopen, voel ik een vreemde druk op mijn borstkas, alsof ik hier niet thuis hoor. Toen ik voor het eerst bij hem ging wonen, na Ammays dood, voelde het ook onwennig, alsof ik een soort indringer was, maar nu is het erger. Ik ben weggegaan. Ik zou hier nooit meer terugkomen. Ik had het net geaccepteerd. Hij misschien ook.
Ik sla mijn armen om mezelf heen en kijk de ruimte rond. Bijna alles is hetzelfde, maar alleen is het nu minder goed opgeruimd en hangt er in de hoek weer die bokszak. Ik had al wel verwacht dat hij zich op fitness zou storten na mijn vertrek en ik kon het ook al aan hem zien, maar om de een of andere reden brengt het slechte herinneringen terug. Tijdens Ammays verjaardag had hij ook zijn handen al kapotgeslagen op die bokszak, waarna hij me had beloofd dat hij voorzichtiger zou doen. Heel lang had hij zich daaraan gehouden. Maar wie ben ik om mensen te beoordelen op het feit of ze hun beloftes nakomen? Ik had hem immers beloofd dat hij nooit meer alleen zou hoeven zijn.
Het duurt even voordat het me opvalt dat hij naar me kijkt.
'Gaat het?' vraagt hij, ook al weet hij dat ik toch niet eerlijk ga antwoorden.
Ik slik de brok in mijn keel weg en geef de medicijnen maar de schuld van hoe emotioneel ik opeens ben. 'Ik.. ehm... ik zou het natuurlijk begrijpen als... ik zou het je niet kwalijk nemen als je...' begin ik, maar ik weet niet hoe ik het in hemelsnaam moet verwoorden zonder het te laten lijken alsof ik beroep doe op een recht wat ik verloren heb op het moment dat ik bij hem weg ben gegaan. Ik kan het hem niet kwalijk nemen als hij verder is gegaan met zijn leven.
Hij zet een stapje naar me toe en maakt aanstalten om mijn arm aan te raken, maar ik zet een stapje achteruit. Het idee is mijn hoofd al binnengedrongen en ik krijg het er niet meer uit.
'Wat is er aan de hand?' vraagt hij.
Ik bijt op mijn lip en schraap mijn keel dan. Ik kan het niet opbrengen om hem aan te kijken wanneer ik eindelijk mijn vraag eruit pers. 'Hoe... hoeveel anderen zijn hier binnen geweest sinds ik weg ben gegaan?'
Het is niet helemaal duidelijk verwoord, maar als ik een korte blik op hem werp, zie ik dat hij het begrepen heeft.
'Niemand,' antwoordt hij stellig, maar ik ben niet overtuigd.
Ik sla mijn armen strakker om mezelf heen, als een harnas wat me kan beschermen. Ik bijt even op mijn lip. 'Als... als het wel zo is, dan kan je dat ook zeggen. Ik... ik zou het begrijpen als je iemand anders hebt gevonden. Of...' Ik schraap mijn keel, alsof ik zo het pijnlijke gevoel kan later verdwijnen. 'Of iemanden.'
Hij legt zijn handen om mijn gezicht en kijkt me diep in de ogen aan. Deze keer houd ik hem niet tegen. Hij heeft een oprechte blik, bijna wanhopig, alsof hij me op zijn knieën wil smeken om hem te geloven.
'Niemand,' belooft hij me, zijn stem beslist, onvermurwbaar.
'Oké.' Mijn stem is hees en ik voel tranen opkomen. Wederom doe ik alsof het aan de medicatie ligt, wat een stuk gemakkelijker is dan de waarheid. Er is helemaal geen goede reden om te huilen, maar ik heb de neiging om altijd wel een passende drijfveer te bedenken. Ik probeer het te verbergen, maar ik kan me niet wegdraaien, omdat mijn hoofd nog steeds omlijst wordt door zijn warme handen.
Hij kust zachtjes de tranen weg, alles om me mijn pijn te doen vergeten, maar al snel rollen er ook bij hem tranen over zijn wangen.
'Ik hou van je,' zeg ik en omdat ik te bang ben om erachter te komen of hij bereid is om het terug te zeggen, kus ik hem, bijna radeloos.
Zijn ene hand glijdt naar mijn onderrug en de andere ligt in mijn nek. Hij trekt me haast krampachtig tegen zich aan, alsof hij me niet dichtbij genoeg kan brengen. Mijn lijf tintelt op de plekken waar hij me aanraakt en ik verlies mezelf in hem, in zijn geur en zijn warmte en het gevoel van zijn mond op de mijne.
'Ik hou ook van jou,' reageert hij dan en hij neemt de moeite niet eens om zijn lippen echt van de mijne te halen, alsof hij het niet kan verdragen om ook maar een millimeter verder bij me verwijderd te zijn. 'Te veel.'

Reacties (1)

  • Luckey

    Eindelijk een lief deeltje!!

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen