Foto bij ~4~

‘Kunnen we nu naar het strand, dan pakken we vanavond uit?’ Vraag ik Damian. De jongen haalt ongeïnteresseerd zijn schouders op. Ik haat het als hij dat doet. Ik pak Rens zijn hand vast en trek hem mee richting het strand.
‘Damian jij moet ook komen!’ Schreeuw ik naar de jongen. Ik begin over het zand te rennen en sleur Rens achter me aan. Ik laat zijn hand los want ik vind hem te sloom gaan. Ik hoor een plof en verbaast draai ik me om. ik begin te schateren als ik Rens met zijn gezicht in het zand zie liggen. Ik plof langs hem neer en ik kijk naar zijn quasi boze gezicht. Uit het niets voel ik twee armen omme heen en begin ik te gillen. Ik kijk om en kijk naar een serieuze Damian.
‘Laat me los!’ Schreeuw ik naar hem. Hij werpt me een boze blik en laat me dan los. Ik zie de grond op me afkomen, vlug van ik mezelf op en sta dan snel weer recht. Ik kijk naar twee verbaasde jongens. Ze kijken naar me of ze net het onmogelijke hebben zien gebeuren.
‘Ze walgen van je, dat zie je. Jij kan niks bijzonders, want je bent niks bijzonders!’ Altijd moet die stem mijn fijne momenten verstoren. Ik zucht en plof weer neer op het zand. Rens en Damian komen tegenover me zitten en kijken me aan.
‘Vertel me alles over deze plek. Ik wil echt alles weten van begin tot einde.’ Zeg ik waarop Rens lacht en knikt. ik kijk naar Damian en hij schut zijn hoofd.
‘Dat doen we morgen wel. Je hebt het strand nu gezien, nu gaan we onze spullen uitpakken.’ Zegt de jongen streng. Ik kijk de jongen verbaast aan en kijk dan naar Rens.
‘Kom op Dami, vertel het haar gewoon.’ Dringt Rens bij de jongen aan. Hij schut koppig zijn hoofd en kijkt naar Rens.
‘Je weet dat ze het niet verdiend.’ Zegt hij. ik blijf verbaast zitten en kijkt de jongen aan.
‘Wat?’ Vraag ik hem verbaast. Ineens lijkt het of alles en iedereen stil is door mij. Ik hoor de zee niet, ik hoor geen wind en ik hoor het groepje mensen veder op niet meer. ‘Meen je dit nu serieus?’ vraag ik hem terwijl ik opsta en het zand van mijn broek klop. ‘Meen je dit nu serieus!’ Schreeuw ik naar de jongen. ‘Wat ben jij toch een enorme klootzak. Je gunt me niks meer. Je wilt helemaal niet dat ik nog een leven heb!’ Schreeuw ik woedend naar de jongen die inmiddels ook is gaan staan. Hij kijkt me ijskoud aan. ‘Ik haat je!’ schreeuw ik.
‘NADA! Nu is het klaar! Ik ben er helemaal klaar met je kinderachtige gedrag!’ Schreeuwt hij naar mij voor ik nog iets kan zeggen. Ik blijf doodstil en verbaast naar hem kijken. Ik voel mijn lip trillen en ik probeer de tranen in mijn ogen weg te drukken. Ik mag niet huilen, voor niemand niet!
‘Hoe noemde je me?’ Vraag ik met trillende stem. ‘Ik dacht dat je familie was, ik dacht dat jij mijn broer was!’ Schreeuw ik naar hem. ‘Maar ik had het fout.’ Zeg ik zachtjes terwijl ik me omdraai en wegloop. Ik loop richting de groep mensen en ga daar het bos in. ik bal mijn hand tot een vuist en ram hem tegen een boom aan. de boom begint te kraken en valt om. ik kijk verbaast naar het punt van de breuk en dan naar mijn vuist. ‘De boom was ziek! Ik kan geen bomen om slaan.’ Zeg ik zachtjes tegen mezelf. Ik loop stilletjes veder en ga tegen een dikke boom zitten. Ik zou zo graag willen schreeuwen, huilen, slaan, schoppen en nog veel meer. In plaats van dat allemaal zit ik hier tegen een boom en staar nutteloos voor me uit.
Kijk zie je nu? Niemand mag je. Zelfs je nep familie noemt je een Nada. Je bent ook niks , nooit geweest en je zal het ook nooit worden!’ Schreeuwt de stem in mijn hoofd. Ze heeft gelijk. Waarom moet ze gelijk hebben? Ik wil niet dat ze gelijk heeft!

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen