Foto bij Hoofdstuk 57

Het moment dat de eerste klop op de romp weerklonk, veranderde alles. Filip was de eerste die opsprong, en hij was naar de reling gerend voordat de tweede klop klonk. Bij de tweede klop was de hele crew op hun benen en bij de derde stond bijna iedereen ergens bij een reling. Elis dook bij Filip op.
      “We hebben hem gevonden,” zei ze. “Volg mij.”
      De stilte verdween ineens en de crew rende in het rond. De mast werd geheven en het roer omgegooid, en het was alsof zelfs het weer veranderde. De wind wakkerde aan als een aanmoediging, of een waarschuwing. In elk geval zou het weer stormen, en deze keer… Ze wilde er niet over nadenken. Ze durfde zelfs Maeve niet weer onder ogen komen, dus ze ijsbeerde alleen over het schip.
      Na wat een paar uur varen geweest moest zijn, riep Grainne iedereen weer bij elkaar.
      “Mannen, vrouwen, van de Saving Grace,” riep ze over het geruis van de wind en het geluid van de werkende crew heen. “Vandaag is het zover dat we eindelijk onze grootste vijand onder ogen komen.”
      Er was geen antwoord, geen gejuich, alleen maar gespannen stilte en een paar knikken.
      “Dit is de laatste kans voor ieder lid om te vertrekken. Ik weet niet welk lot ons staat te wachten, maar degenen die nu vertrekken, zullen terug verwelkomd worden op de Saving Grace.”
      Niemand bewoog.
      “Goed,” zei ze, met een zachte zucht. “Ik heb dappere mannen en vrouwen uitgezocht.”
      Rowan voelde zich niet dapper.
      “We staan niet alleen in onze strijd. De zeemeerminnen hebben ons laten weten aan onze kant te staan. We weten niet hoeveel ze kunnen doen voor ons, maar we staan niet alleen. Niet langer.”
      Er klonk een beleefd applaus waarvan Rowan niet eens wist of Elis het kon horen.
      “We blijven uit het zicht totdat de zeemeerminnen hun aanval afgerond hebben, en als alles volgens plan gaat, kunnen we dan aan boord komen.       "Séan, heb je de haken klaar?”
      “Klaar, kapitein,” zei de brede man die ze eerder had ontmoet tijdens het kaarten.
      “Het is belangrijk dat we het schip niet laten zinken en we Cowell niet doden totdat we informatie van hem hebben.”
      Dat leverde wat gefluister op, maar niemand protesteerde.
      “Dit is een kaping als alle anderen,” beval ze ten slotte. “Iedereen neem zijn positie in!”
      De laatste klank van haar stem was nauwelijks weggevaagd voordat alle mannen en vrouwen naar hun positie boven of benedendeks waren gerend. Alleen Devan, Faraj en Rowan bleven over. Maeve had haar oog al op hen en kwam naar beneden. Rowan slikte.
      “Faraj,” zei ze. “Ik heb je vaardigheid met de degen gezien.”
      “Dank u.”
      “Ga bij de primaire aanvalsgroep staan,” zei ze, wijzend naar een groep mensen op stuurboord.
      Faraj haalde diep adem en knikte. “Devan…”
      “Het komt goed,” zei ze. “Met jou, met mij.”
      “Ja.” Hij probeerde te glimlachen. “Devan, je moet weten…”
      Ze keek hem met tranen in haar ogen aan.
      “Ik houd van je, Devan.”
      Ze lachte en veegde een traan weg met haar mouw. “En ik van jou, Faraj.”

Devan keek Faraj na en veegde nog een traan weg, en haalde nog eens diep adem. Rowan keek naar haar, te bang voor haar eigen reactie als ze naar Maeve zou kijken.
      “Devan, Rowan…”
      Nu moest ze wel.
      “Blijf bij mij in de achterhoede. Mijn moeder zal de aanval leiden, zoals ze altijd doet. Loop niet in de weg.”
      Ze knikten, en de sfeer was te zwaar voor Devan om te protesteren, hoewel ze allebei de verontwaardiging op haar gezicht kon lezen. Maeve klonk zo koud, zo zakelijk, zo anders dan tijdens hun laatste gesprek.

Het schip kwam langzaam tot stilstand, en iedereen wist wat dat betekende. Beneden in het water gaf Elis het sein, en ze dook onder water. Ze zouden veilig zijn op deze afstand, dat wist ze. Het was nog niet hun beurt. Maar toch had ze het idee dat het al begonnen was.

Het lied van de zeemeerminnen was vanaf waar ze stond niet meer dan een echo, maar het was alsof het een duistere aankondiging was voor wat te komen stond. Een lied dat ze maar één keer eerder had gehoord, nu alleen hoorbaar in flarden ver, ver weg, vermengt met het ruisen van de zee en het huilen van de zee, ze begreep nu hoe de zee klonk voor mensen.
      “Als ik dit overleef,” fluisterde Devan, “schrijf ik dit alles op. En dit hoofdstuk zou ik het lied van de zee noemen.”
      De combinatie van de onbevreesde eerlijkheid van Devan, en haar meer kwetsbare woorden, maakte haar bijna aan het huilen. Als iemand het zou verdienen het te overleven, was het Devan. Devan, die met haar bijna kale hoofd zo erg op Finnian leek… Wat zou Finnian zeggen als zijn dochter nooit meer thuis kwam?
      “Ik hoop dat je het me ooit laat lezen, als ik…”
      “Ja,” zei ze. “Beloofd.”
      In de verte zongen de zeemeerminnen het lied van de zee, en in de verte ving ze de woorden op zoals zij ze hoorde, woorden over de koelte van de zee en de eeuwige golven, het ruisen van de wind en het gevoel van zand en de warmte van de zon. Maar ze zongen ook over vriendschap en opbloeiende liefde, en Rowan realiseerde zich dat, wat Devan dan ook hoorde, ze gelijk had.       Ze hoorden het lied van de zee.
      En toen stopte het.
      Ze probeerde de melodie vast te houden, maar het liet zich niet vangen en het verdween als een droom na het ontwaken. De aankondiging was voorbij en ze durfde niet na te denken over wat het betekende voor de zeemeerminnen, maar ze wist wat het betekende voor hen.
      “Hijs de zeilen!” schreeuwde Grainne. “Houd posities!”
      “Daar gaan we dan,” zei Rowan.
      “Ja,” beaamde Devan. “Dit is het.”

Benedendeks staken nu een aantal roeispanen uit, en met de wind in de zeilen en de roeispanen door het water, begon het schip snel snelheid op te pikken. Cowell’s schip, een groot vaartuig, gemaakt van donker hout en met een grote zwarte vlag wapperend aan de mast, kwam in zicht. Het was even alsof ze nog zijn vrouwe was, lang geleden. Dezelfde angst kroop in haar bloed, in haar botten en in haar kleren. Het was dezelfde boot als toen. Maar toen herinnerde ze zich Devan, en Maeve, en Faraj en de crew, de zeemeerminnen… Ze stond niet langer alleen tegenover een vijand die groter was dan zij. Ze stonden een kans, hoe klein die ook was.
Het water kleurde rood op sommige plekken. Eerst was het nog ver weg, maar nu waren er strepen bloed zichtbaar soms, uitgedund, maar nog aanwezig. De lichamen volgden daarna. Mannen met gelukzalige glimlachen op hun gezicht, maar ook zeemeerminnen, doorboord door lansen en andere scherpe voorwerpen. Ze wilde niet verder kijken. Ze wilde het niet weten. Niet wat de zeemeerminnen met Cowells mannen hadden gedaan en niet wat zijn mannen met de meerminnen hadden gedaan. Ze kon alleen maar hopen… Ze kon alleen maar vooruit.
      Af en toe sloeg een roeispaan tegen een lichaam aan en dan draaide haar maag om. Cowell had vroeger verteld over zijn kapingen, en hij liet het altijd zo glorieus klinken. Maar het was niet glorieus. Het was afschuwelijk.
      In de verte kon ze de stemmen van Cowells mannen horen, en ze realiseerde zich dat ze sommige van die mannen had ontmoet. Ze waren niet allemaal verschrikkelijk geweest. Sommige waren aardig geweest, en ondanks dat ze hun namen noch hun gezichten kon herinneren, riep het herinneringen op. Elk van hen kon daar staan of erger nog, in de zee drijven.
      “Ik haat dit,” zei ze hardop.
      Tot haar verrassing antwoordde Maeve met een zucht. “Ik ook.”

Reacties (2)

  • Livgardet

    Aaah, kom op! Jullie kunnen dit!

    2 jaar geleden
  • Sunnyrainbow

    Wat goed geschreven!! Ik zat echt op het puntje van mijn stoel!

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen