“I've told a million lies but now I tell a single truth
There's you in everything I do.”


Justine Heidi Harbours

Ik knijp mijn ogen stijf dicht, terwijl ik mijn best doe om de tranen van mijn wangen te vegen. Ik zie mijn vader voor me, al de zeven keren dat hij het gedaan heeft. Het ondenkbare, het gene dat de jonge twinkel voor altijd in mijn ogen gedoofd heeft, datgene dat me van een jong meisje op de tedere leeftijd van dertien jaar in een wandelende zombie met een gezicht vol schijn en geheimen heeft veranderd. Al de zeven keren die me een beetje meer dof maakte.
      Ineens, vanuit het niets, voel ik een paar sterke, warme armen mijn middel omsluiten en hoewel mijn eerste instinct zou moeten zijn ‘rennen’, kan ik het niet. Allerlei elektrische schokjes trekken door mijn lichaam en ik kan de moed noch het verlangen om te vluchten, altijd maar te vluchten, niet vinden. In plaats daarvan, laat ik me in de armen van Embry smelten, die tot mijn grootste verbazing als thuis en beschermend voelen. Alsof Embry’s omhelzing me van alle kwaden in de wereld kan beschermen, inclusief mijn vader.
      Voor een seconde laat ik mijn hoofd tegen Embry’s borst vallen, maar dan herpak ik mezelf en duw ik mezelf van hem af. Het gepiep neemt langzaam af, tot ik alleen mijn langzaam tot kalmte kerende ademhaling en het ruizen van de bladeren van de bomen hoor. Ik tover een verontschuldigende glimlach op mijn gezicht en wrijf de tranen van mijn wangen. Zogenaamd spijtig en met een halve grinnik rond mijn lippen kijk ik Embry aan.
      ‘Het spijt me dat je dat mee moest maken,’ lach ik totaal niet gemeend, terwijl ik de laatste vochtige druppels vanuit mijn ooghoeken dep. Ik haal een hand door mijn wilde haren en doe alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat ik zojuist een paniekaanval ben ontlopen. ‘Het is gewoon dat de verhuizing me zoveel stress brengt, alle nieuwe mensen die ik heb leren kennen en het feit dat ik niet graag buiten de boot val. Het moest er even uit.’
      ‘Dat snap ik,’ antwoordt Embry. Zijn stem klinkt onzeker en als mijn ogen die van hem ontmoeten, zijn de vraagtekens duidelijk zichtbaar. Hij twijfelt over de werkelijkheid van mijn verhaal en ik kan het hem niet kwalijk nemen.
      Ik stuur hem mijn meest overtuigende glimlach en daar lijkt hij voor te vallen. De bezorgdheid in zijn blik blijft hetzelfde, maar de uitdrukking op zijn gezicht verandert naar medeleven. Hij doet geen poging om me opnieuw aan te raken, maar als ik terug denk aan een paar seconden geleden, krijg ik het warm vanbinnen. Ondanks de situatie, kan ik het niet helpen om mezelf af te vragen of hij het als hetzelfde ervaart.
      ‘Het is altijd moeilijk om nieuw te zijn in een bepaald gebied,’ glimlacht Embry geruststellend. Hij lijkt zich niet in te kunnen houden, want hij reikt met zijn hand naar mijn arm. Echter, zodra ik snel uit automatisme een stap achteruit zet, vertrekt zijn gezicht even in pijn en laat hij zijn hand vallen. Hij herpakt zich gelukkig snel, dus hoef ik me niet lang schuldig te voelen. ‘Maar ik weet zeker dat je er wel komt. Op mij als vriend kun je in ieder geval rekenen.’
      Ik glimlach dankbaar naar Embry en haal opnieuw een hand door mijn haast witte haren. Ik laat mijn blik even afdwalen naar het asfalt van de grond en vervolgens naar Embry’s T-shirt, waar een lelijke, natte vlek van mijn tranen op zit. Ik lach ongemakkelijk. ‘Het spijt me van je shirt.’
      Embry fronst even, alsof hij niet lijkt te vatten wat ik bedoel, maar zodra zijn blik naar zijn shirt afdwaalt en hij de donkere vlek ziet, krijgt hij een schaapachtige grijns op zijn gezicht. Hij kijkt me aan, maar gelukkig niet recht in mijn ogen. ‘Dat is dan acht dollar, mevrouw Harbours.’
      Ik rol met mijn ogen, blij dat Embry de sfeer van angstig en benauwd naar luchtig en enigszins speels heeft weten te veranderen. Laat het aan hem over om de meest onmogelijke dingen, Justine in een breakdown overleven, mogelijk te maken. Voor die reden alleen al voel ik mijn hart een stukje voor Embry groeien, waar ik mezelf immens veel voor haat. Hoe graag ik ook wil geloven dat er ook goede mensen op de wereld zijn, zoals Ariel, kan ik het niet.
      ‘Ik zal kijken wat ik thuis kan vinden,’ geef ik nog als laat antwoord. Met meer zelfverzekerdheid dan ik op dat moment voel, loop ik naar Embry’s rode Honda en neem ik plaats op de bijrijdersstoel. Ik heb geen idee of Embry me überhaupt nog wel in zijn auto wil, nadat hij de zo goed als totaal hysterische kant van me gezien heeft, maar ik kan die lift naar huis momenteel wel goed gebruiken, aangezien mijn benen als trillende spaghetti-sliertjes aanvoelen.
      ‘Eindelijk heb je mijn aanbod aangenomen,’ zegt Embry met een overdreven zucht als ook hij in de auto stapt. Hij gunt me een glimlach die het tegenovergestelde van zijn woorden uitstraalt en bijna compleet vrijwillig glimlach ik terug. Bijna.
      Embry start de auto en ik laat mijn blik afdwalen naar buiten. Er heerst een stilte, maar het is een prettige stilte. Ik pak de tijd die ik nu heb om mezelf bij elkaar te rapen en mijn façade weer te herstellen, zodat als ik zo Ariel onder ogen kom, ze niets vermoedt.
      Het groen flitst voorbij en voor ik het weet zet Embry de auto stil. Een gevoel van teleurstelling gaat lichtjes door mijn lichaam, aangezien ik het prettig vind om met Embry te rijden. Wat eigenlijk tegen mijn principes in gaat, werkelijk.
      ‘Justien?’ zegt Embry ineens.
      Zijn stem komt vastbesloten over en nieuwsgierig kijk ik op. Embry heeft zijn donkerbruine ogen recht vooruit op de weg gericht en zijn vingers, die het stuur stevig vast hebben, trekken wit weg. Ik vraag me af wat er in zijn hoofd omgaat. ‘Ja, Embry?’
      ‘Je hebt mijn nummer, toch?’ vraagt hij. Hij durft me nu wel aan te kijken en hij trekt zijn wenkbrauwen vragend op.
      ‘Ja,’ antwoord ik aarzelend, geen idee waar dit gesprek naar toe gaat.
      ‘Nou, ik weet dat we elkaar nog niet zo heel lang kennen, maar als je ooit het gevoel hebt dat je iets kwijt moet, of dat je iemand wil zien, kan je altijd mijn nummer bellen,’ zegt Embry. Hij trekt nonchalant zijn schouders op, maar ik kan zien dat het hem moeite kost om zichzelf zo kwetsbaar op te stellen. Alsof het nog niet erg genoeg is, merk ik op dat dat nog een puntje is dat ik zo kan waarderen. Vooral omdat ik een hekel heb aan kwetsbaarheid bij mezelf.
      Ik glimlach dankbaar en pak mijn tas bij mijn voeten vandaan. ‘Dank je, Embry.’
      ‘Geen probleem,’ antwoordt hij met een halfslachtig glimlachje, alsof hij nog steeds niet helemaal tevreden met zichzelf is. ‘Ik zal niemand wat vertellen over dit voorval.’
      ‘Dat is je geraden,’ zeg ik, terwijl ik de auto uitstap. Ik gooi het portier dicht en zwaai nog even naar Embry, voordat ik zonder nog een keer om te kijken mijn weg naar binnen vind.

Reacties (4)

  • Efflorescence

    Hopelijk zal ze gebruikmaken van zijn aanbod.

    5 maanden geleden
  • Slughorn

    Nawh ik had gehoopt dat ze iets meer toe zou geven. Hopelijk komt ze nog dichter bij Embry (:

    5 maanden geleden
  • AroonCat

    Aaah, snel verder!

    5 maanden geleden
  • VampireMouse

    Mooi ❤️❤️❤️❤️❤️ hopelijk is d'r vader niet thuis!

    5 maanden geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen