De nacht voelde voor hen beiden veel te kort aan en ze voelden zich nog erg moe toen ze de volgende ochtend gewekt werden.
‘Rust is zeldzaam in tijden van oorlog.’ Scathach stond grijnzend in hun deuropening en ze leek maar al te goed door te hebben wat zich de afgelopen nacht in die kamer had afgespeeld.
‘Wat is er nou weer,’ kreunde Alexander en hij begroef vervolgens zijn gezicht in het kussen. Hij was niet blij met dit tijdstip van opstaan.
‘Er zijn enkele monsters gespot in de woestijn, niet heel ver van hier. Tijd om met ze af te rekenen.’
‘En daar zijn wij zo hard bij nodig?’ Alexander moest zich wel weer terug op zijn rug draaien wilde hij zich weer verstaanbaar maken. Hij wist dat als hij op zijn buik bleef liggen, hij zo weer weg was. Daar bovenop kreeg hij ook nog eens een klap van Hephaistion.
‘Je toon kan aardiger,’ merkte hij op en Alexander staarde hem verongelijkt aan.
‘Jep, geen uitzondering voor jullie heren. We hebben iedereen nodig. Dus hop hop, jullie hebben een uur om in wapenrusting klaar te staan.’
‘Een uur! Je bent gek.’ Scathach schudde van nee.
‘Ik kan het in een kwartier.’ Alexander haatte het dat ze zo overduidelijk een ochtendmens was en hij niet. ‘Tot zo.’
Scathach verliet de kamer, maar liet de deur wagenwijd openstaan. Hephaistion maakte geen aanstalten om de deur weer te sluiten en keek Alexander slechts grijnzend aan. Alexander staarde vernietigend terug en besloot om toen zelf maar op te staan. Hij wilde wel privacy hebben, terwijl hij verder wakker probeerde te worden.
‘Waarom werk je me nou altijd tegen op de momenten dat ik je nodig heb,’ klaagde hij, maar Hephaistion stak zijn tong naar hem uit.
‘Omdat het leven van een krijger, al helemaal één die tegen monsterlijke kwaad vecht, nou eenmaal kan bestaan uit op moeten staan op de meest onfortuinlijke tijdstippen. Helaas hebben we deze ochtend gewoon pech.’ Alexander kreunde en liet zich weer op bed vallen. Hephaistion keek hem met een opgetrokken wenkbrauw aan.
‘Jajaaa, ik ga me zo aankleden, maar laat me even.’

Het uur was inderdaad net te kort voor Alexander. Toen hij eenmaal volledig uitgerust kwam aanlopen, keek Scathach hem chagrijnig aan.
‘Ik zei toch dat je een uur had? Je bent tien minuten te laat!’ Hephaistion stond wel al klaar en glimlachte vluchtig. Alexander kon hem wel slaan. Hij hield van hem, maar op dit moment was hij onuitstaanbaar. Hephaistion kon wel functioneren op weinig slaap in tegenstelling tot hemzelf.
‘Maar oké, we hebben dus nog niet alle monsters uitgeroeid?,’ vroeg Alexander en Prometheus schudde van nee.
‘Een paar zijn blijkbaar toch brutaal genoeg om nog een aanval te proberen. Verkenners zagen ze door de woestijn heen zwerven, maar veel te dichtbij naar onze mening. Tijd om met ze af te rekenen.’
Alexander knikte en vervloekte het feit dat hij bijna de hele nacht met Hephaistion had doorgehaald in plaats van goed uit te rusten. Hij was nog niet klaar voor een volgend gevecht en met moeite onderdrukte hij een gaap.
‘Het zijn er niet veel,’ verzekerde Scathach hem toen ze richting de stallen liepen. ‘Het zal geen hevig gevecht worden, maar meer mensen maakt het makkelijker.’
‘Kan ik daarna gaan slapen?’
‘Ja, maar denk de volgende keer alsjeblieft wat beter na. Er was voorspeld dat we nog met wat monsters moesten gaan afrekenen.’
‘Sorry, de verleiding was te groot.’ Alexander grijnsde schaapachtig en Scathach zuchtte.
Onder leiding van Aris en één van de verkenners reden ze de woestijn in, op zoek naar het laatste restje monsters. Een paar van de Medjay krijgers waren ook mee.
Toen ze de vijand eenmaal gevonden hadden, was het inderdaad een kort gevecht.
Vlug achtervolgden ze de vijanden op hun paarden, wat hen sneller deed gaan dan hen en ze maakten hen af. Alexander reed dit eerste gevecht achteraan en doodde slechts één Anpu.
In de dagen erna volgden er nog enkele kleine schermutselingen, ook al was Aris er in het begin niet bij omdat hij moest bijkomen van de Ontwakening. Dit maal was Alexander wel goed uitgerust voor de gevechten en enthousiast achtervolgde hij de rondzwervende Anpu, Berserkers en katmensen. Monster na monsters viel door zijn speer of zwaard en hij was haast teleurgesteld toen hen werd medegedeeld dat ieder monster verdreven uit Egypte of gedood leek te zijn.

'De jacht is ten einde en het rustige leven komt weer terug.' Tijdens het grote feest om hun overwinning te vieren, kwam Hephaistion naast hem staan.
'Dat klopt, maar voor nu vind ik het jammer, want ik hou van de spanning en actie.' Hephaistion grinnikte kort, maar keek hem begrijpend aan.
'Ik weet dat je hart onrustig is. Daarom wilde ik ook voorstellen om te gaan reizen. We hebben lang genoeg in Tepe Sialk en zijn omgeving gezeten. Het is tijd om de wereld te gaan ontdekken en we zijn al zo lang dood dat niemand ons zal herkennen.'
Alexander was verrast door dit voorstel en hij keek Hephaistion verwonderd aan.
'En ik dacht dat jij de rustige van ons twee was.'
'Ook ik raak verveeld.'
Zo was het dat de twee geliefden na hun terugkeer in Tepe Sialk daar niet erg lang verbleven. Ze bleven er lang genoeg om uit te rusten van hun reis en om hun spullen te pakken. Ze hadden weinig bezittingen, maar in de loop van de tijd had Alexander ook meegeholpen om Sappho's bibliotheek te vullen. Het deed hem pijn om al die rollen en tabletten achter te moeten laten, maar hij wist dat ze bij Sappho in goede handen waren.
'Als het aan mij ligt zal deze bibliotheek nog eeuwen bestaan. Zelfs al zou jullie reis honderden jaren duren, zolang ik hier ben, zal je je documenten hier weer terug vinden.'
'Dank je wel.' Alexander omhelsde haar en nam toen afscheid. Van haar en van de bibliotheek.
'Veel plezier op jullie reis. Ik ben er zeker van dat je de weg uiteindelijk naar hier terug zal vinden.'
'Dat moet wel goedkomen.'
Alexander en Hephaistion namen nog afscheid van de rest, maar toen was het toch echt tijd voor hen om te vertrekken. De wijde wereld in waar hen nog vele avonturen te wachten stonden.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen