Alexander werd opgeschrikt door het geklepper van hoeven op de stenen van de binnenplaats van hun huis. Hij legde zijn geschriften weg en liep naar buiten om te zien wie het lawaai veroorzaakt had. Hephaistion kon het niet zijn, want hij moest zich ergens anders in hun huis bevinden.
Buiten trof hij een vreemdeling aan, maar op zijn gezicht was wel een blik van herkenning te zien, toen hij Alexander zag.
‘U moet Alexandros zijn,’ sprak de man in het Grieks. ‘Ik heb de hele stad Athene doorzocht om u te vinden.’ Verbaasd stak Alexander een wenkbrauw op bij het horen van deze uitspraak van zijn naam en het feit dat de man echt wist te weten wie hij was.
‘Ik heb een boodschap voor u van de vrouwe Scathach, het is helemaal vanuit Brittannië gekomen.’
‘Scathach,’ mompelde hij en hij was lichtelijk verbaasd om die naam te horen. Ze had al een lange tijd niets meer van zich laten horen en Alexander was er vanuit gegaan dat ze het wel te druk zou hebben. Hij was dan ook erg benieuwd naar de inhoud van de brief.
‘Dank je wel. Ik hoop dat je niet zelf de gehele reis hebt hoeven te maken?’ De man schudde van nee.
‘Deze brief is van boodschapper op boodschapper overgedragen. Ik heb hem slechts de laatste 50 kilometer bij me gedragen. En het is een eer u te mogen ontmoeten.’ De man maakte vluchtig een buiging en maakte aanstalten om naar zijn paard te lopen, maar Alexander hield hem tegen.
‘Waarom? Waarom die eer?’
‘U staat bekend om een goed persoon die de mensen beschermt. We zijn u dankbaar.’ Met deze woorden verdween de boodschapper en liet hij Alexander verdwaasd achter.
Het klopte wel wat de man zei. Sinds ze hier in Athene woonden, hadden hij en Hephaistion zich ingezet voor de gewone bevolking. Het Byzantijnse rijk hield er een strenge handhaving op na en invallen van vijanden maakte dat de soldaten en de edelen extra op hun hoede waren. En wreder naar de bevolking toe. Het was een wankel verbond dat Alexander met één van de edelen had kunnen sluiten, die zich bekommerde om het welzijn van de mensen. In ruil voor geld en eventuele bescherming, hield hij de bevolking veilig voor de ergste misdaden. De schenking van de oude Romeinse villa aan de rand van de stad, was ook een geschenk van deze edele geweest. Alexanders werk maakte hem geliefd bij de bevolking, maar niet bij de edelen.
‘Hephaistion!’ riep hij en met de brief in zijn hand liep hij door het huis op zoek naar zijn geliefde. Hoe graag hij de brief ook direct wilde openen, Hephaistion had het recht om erbij te zijn.
‘Wat is er? Wie hoorde ik praten?’ Hephaistion kwam aangelopen uit één van de achterkamers.
‘Een boodschapper. Hij had een brief van Scathach.’
‘Oh, van haar hebben we lang niet gehoord. Maak open!’

Lieve Alexander en Hephaistion
Ik heb jullie hulp nodig bij een gevoelige zaak. In Brittannië heb ik een man aan de macht geholpen, maar ik vrees dat dit rampspoed zal brengen. Zal hij niet zijn eigen doodvonnis tekenen, dan zal iemand anders dit wel doen. Help me alsjeblieft de vrede te bewaren.
Kom naar het fort Camelot in het zuidwesten van Brittannië. Ik hoop jullie daar zo gauw mogelijk te zien.
Scathach

‘Oh, het lijkt erop dat het tijd is om weer te gaan reizen,’ zei Hephaistion en Alexander kon de opwinding in zijn stem horen. Zelf begon het bij hem ook weer te kriebelen, ondanks dat hij zich op zich wel op zijn plek voelde hier. De oude Griekse cultuur was hier nog heel vaag aanwezig en het deed hem aan vroeger denken. Er waren in ieder geval nog genoeg resten van de oude gebouwen, waaronder het Parthenon. Al had men deze vandaag de dag verbouwd tot een kerk.
‘Dat betekent wel dat ik de mensen hier aan hun lot moet overlaten,’ mompelde Alexander. ‘Alhoewel, we doen dit wel al voor een lange tijd en misschien is het nu inderdaad wel tijd om te verdwijnen.’
‘Je hebt al een hoop voor ze gedaan en sommige edelen wakker geschud. Het zal wel goedkomen met ze. En als deze taak niet al te lang duurt kunnen we eventueel weer terugkomen.’
‘Ja, misschien wel. Al heb ik ergens het gevoel dat we een lange tijd weg zullen zijn. Maar dat maakt niet uit.’
Hephaistion liep om hem af en trok hem na een kus in een omhelzing. Alexander sloeg zijn armen om hem heen en gaf hem een kus op zijn wang.
‘Alexander, we gaan naar Brittannië! Daar zijn we nog niet geweest.’ Hephaistion had hem losgelaten en stond bijna te huppelen, zo blij was hij. Alexander glimlachte om de aandoenlijkheid ervan.
‘Kom, laten we dan maar beginnen met de voorbereidingen van ons vertrek. We hebben spullen om in te pakken en ik moet het slechte nieuws aan heer Iovinus vertellen.’ Helaas zouden ze ook veel spullen moeten achterlaten. Slechts weinig kon mee op hun reis, maar het scheelde dat ze maar weinig bezittingen van waarde hadden. Veel van hun bezittingen hadden ze verkregen door hun verzameldrift. Voor slechts de belangrijkste kunstwerken, die echt niet verloren mochten gaan, zou hij een goed nieuw thuis zoeken.


Enkele dagen later was alles geregeld. Ze stonden dan ook in een bijna leeg huis en hun weinige dierbare bezittingen waren gepakt in zadeltassen. Een groot deel van het gewicht bestond uit boeken en perkamenten. Alexander en Hephaistion konden er beiden geen afstand van nemen. De rest van hun boeken zouden overgebracht worden naar een kluis waar zij hun verzameling bewaarden. Een onsterfelijke vriend wilde dat wel voor hen doen. Als ze het zelf zouden doen, gingen ze te veel tijd kwijt raken. Alexander had uit Scathachs brief opgemaakt dat er niet veel tijd was voor alles mis kon gaan.
‘Ik zal het hier wel missen,’ zei Alexander toen ze op het punt stonden om hun paarden te bestijgen. ‘Brittannië gaat zo anders zijn. Hun cultuur is ook erg verschillend met de cultuur hier. We zullen flink moeten wennen.’
‘Ik denk dat dat wel goed gaat komen. We hebben al best wel wat verschillende culturen gezien en meegemaakt. Wij kunnen ons zeker wel aanpassen.’ Alexander knikte, maar voelde zich er toch niet zo zeker over. Ze waren maar weinig in West Europa geweest en de cultuur daar was altijd al redelijk anders geweest dan in het oosten, zelfs al was een deel van de huidige West-Europese cultuur gebaseerd op die van de Grieken en Romeinen.
‘Maar kom, het is tijd om te gaan. We hebben een lange reis voor de boeg!’ Enthousiast beklom Hephaistion zijn paard en met een zucht volgde Alexander zijn voorbeeld. Ze hadden een lange reis te gaan, maar toch had hij er wel zin in. Onderweg zouden ze vast een hoop te zien krijgen. En ze gingen met een boot en stiekem hield Alexander altijd wel van varen, ondanks dat hij het niet vaak deed.

Reacties (1)

  • SonOfGondor

    Eindelijk heb ik tijd om verder te lezen!

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen