Later die middag werden ze nog voorgesteld aan de koning. Bij dit moment was een groot deel van zijn hofhouding aanwezig, waaronder al zijn ridders. Alexander voelde zich geïntimideerd en besefte zich hoe iedereen die hij aan zijn hof had ontvangen, zich gevoeld moest hebben. Zijn hof was dan waarschijnlijk ook nog eens veel ontzagwekkender geweest dan de groep mensen die in dit verbouwde fort woonde.
Ze liepen achter Scathach aan de troonzaal binnen en Alexander nam de ruimte in zich op. Het was niet bijzonder groot en vrij donker. Er leek net genoeg ruimte te zijn voor alle aanwezigen.
‘Buig,’ fluisterde Scathach hen toe toen ze halt hield. Op een houten verhoging voor hen zat de koning op zijn troon. Gauw volgden ze haar aanwijzing en ze bogen voor de koning.
‘Dit zijn Alexander en Hephaistion,’ stelde ze hen voor. ‘Oude vrienden van mij en goede krijgers afkomstig uit Griekenland. Ze zullen een waardevolle aanwinst zijn voor uw ridders van de ronde tafel, daar ben ik zeker van.’ Terwijl Scathach haar praatje hield, gebruikte Alexander de gelegenheid om de koning te bestuderen. Het was een knappe man van middelbare leeftijd die zijn koningschap wist uit te stralen. Zijn schouderlange haar en baard waren bruin en gaven hem een bepaalde air, maar zijn blauwe ogen stonden nors.
‘Ik wil zien wat jullie waard zijn. Lancelot, Gawain, Palamedes.’ Arthur wenkte met zijn hand en drie van zijn ridders kwamen naar voren. Het viel Alexander op dat één van hen een lange donkere man was en verbaasd trok hij even zijn wenkbrauw op. In Griekenland zou hij er niet raar van opkijken, dat was één grote mengpot van mensen van allerlei verschillende volkeren, maar hier in Britannië en op zijn reis door West-Europa was hij bijna alleen maar blanken tegengekomen. Hij vroeg zich af hoe de man hier verzeild was geraakt, al vermoedde dat zijn verhaal vergelijkbaar zou zijn met dat van hem en Hephaistion.
‘Laat me jullie vechtkunsten zien. Als jullie zo goed zijn als Scathach zegt, dan moeten jullie twee deze drie ridders van mij moeten kunnen verslaan.’
Alexander wist niet hoe goed deze mannen waren, maar ze zouden het moeten kunnen. Zou, al kon het nog een flinke uitdaging voor ze worden, gezien ze in de minderheid waren. Maar hun kundigheid was vermoedelijk vele malen groter dan die van de ridders.
Alexander keek Hephaistion aan.
‘We kunnen dit, hè?’ vroeg hij en Hephaistion knikte.
‘We maken ze af,’ en hij grijnsde.
Beiden trokken ze hun zwaard, ten teken van dat ze de uitdaging aan namen. De ridders tegenover hen deden hetzelfde en allen bereiden ze zich voor op het duel.
Hephaistion wees naar achter en Alexander knikte. Na jarenlang samen vechten, hadden ze goede tactieken bedacht en konden ze woordeloos aangeven welke ze zouden gebruiken. In dit geval zouden ze rug aan rug vechten, waardoor er voor hun tegenstanders weinig ruimte zou zijn voor verrassingsaanvallen van achter.
‘Laat het duel beginnen,’ sprak de koning en Alexander en Hephaistion namen direct de vooraf afgesproken pose aan. Ze wilden verdedigend beginnen.
De ridders keken even verrast, maar gingen toen in de aanval. Ieder nam één van hen en de derde bleef achter, waarschijnlijk om een gat te vullen wanneer deze ontstond. Alexander had alleen niet veel tijd om hier lang over na te denken, want zijn tegenstander, de bruinharige ridder, haalde al naar hem uit. Alexander pareerde, gaf nog een extra tik met zijn zwaard, zodat het vijandige zwaard ver weg genoeg was, en beukte naar voren, zijn tegenstander uit evenwicht brengend. Nog een slag op de hand en de ridder liet zijn zwaard vallen. Alexander schoof het zwaard met zijn voet weg en richtte vervolgens zijn lemmet op de keel van de ridder, welke zijn handen in overgave hief. De eerste was verslagen. De donkere ridder die eerste afstand had gehouden gaf hem alleen weinig ademruimte. Direct vulde hij het gat en de enige manier voor Alexander om niet door zijn zwaard geraakt te worden was door weg te duiken. Daarbij verbrak hij alleen wel de stelling, die hij samen met zijn vriend had ingenomen. Maar het was nu één tegen één, ze zouden het moeten kunnen redden zonder.
De ridder was goed en Alexander moest net wat extra moeite doen om de overhand te kunnen houden. Toch wist hij na wat heen en weer gespar de grote ridder op zijn knieën te dwingen. Ook Hephaistion had zijn tegenstander weten te verslaan.
‘Ik wilde je nog te hulp schieten,’ zei Hephaistion tegen Alexander toen het gevecht was afgelopen, ‘maar je leek alles zo onder controle te hebben, dat ik je maar liet.’
‘Nou nou, lekkere partner ben jij,’ mopperde Alexander, maar ze wisten allebei dat hij het niet meende.
‘Indrukwekkend.’ De koning had geklapt om de zaal tot rust te krijgen, want alle aanwezigen hadden druk lopen praten over het gevecht. De drie ridders waren ondertussen ook weer bij elkaar gaan staan en spraken met elkaar over hen twee, Alexander zag de blikken en subtiele gebaren hun richting op.
‘Jullie hebben laten zien inderdaad goede krijgers te zijn, dus hierbij wil ik jullie welkom heten bij de ridders van de ronde tafel.’ Koning Arthur klapte droogjes, maar de andere mensen begonnen enthousiaster te klappen en zelfs de drie verslagen ridders deden mee.
‘Gefeliciteerd, al had ik weinig anders verwacht!’ Scathach liep grijnzend op hen toe en klopte hen beide op hun schouders. ‘Het is een hele eer als Arthur jullie waardig acht.’
‘Dank je. Al vraag ik me af hoe welkom we geheten zullen worden door de rest.’ Alexander had de ridders niet al te vrolijk zien kijken en maakte zich toch een beetje zorgen over in hoeverre ze door hen opgenomen zouden worden. Zoals het er nu naar uitzag zouden ze hier wel een langere tijd blijven en slechts Scathach en Hephaistion als vriend hebben, zou niet genoeg zijn voor hem om zich hier daadwerkelijk op zijn gemak te voelen.
‘Ze zijn niet erg gerust op buitenstaanders, maar het zijn goede mannen. Ze moeten jullie leren kennen, maar ik denk dat jullie dan wel goede vrienden zouden kunnen worden. Geef het tijd. En ik zal ook wel een beetje op ze inwerken, mij vertrouwen ze en als ik zeg dat jullie goede mensen zijn, dan zullen ze me geloven.’ Alexander wilde eerst zien en dan pas geloven.

Reacties (1)

  • SonOfGondor

    Hmmmm, ik vertrouw Arthur voor geen meter

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen