Enkele dagen later werden ze pas officieel geridderd door Arthur. Hij had hun krijgskunsten gezien, maar wilde weten of ze de naam ridder ook echt waard waren. Hoewel hij zelf steeds minder om zijn burgers leek te gaan geven, wilde hij wel dat zijn ridders hen hielpen waar nodig. Dus toen er een boer in de troonzaal verscheen met het verhaal dat bandieten zijn dorp hadden aangevallen en zijn vrouw en vee ontvoerd hadden, werden Alexander en Hephaistion er samen met een paar ridders op uit gestuurd om die bandieten te doden en de boer zijn eigendommen terug te geven.
Ze waren succesvol en dus werden ze bij terugkomst geridderd door de koning. Dit was ook het moment dat ze Gilgamesj voor het eerst zagen in het kasteel. Voor een missie was hij weg geweest ten tijde van hun aankomst.
‘Het is goed jullie hier te zien,’ vertelde hij hen, maar Alexander voelde bij hem dezelfde bezorgdheid aan die ook aanwezig was bij Scathach.
‘Je maakt je zorgen om Arthur,’ vulde Alexander aan en Gilgamesj knikte.
‘Maar hier in de grote zaal is het geen geschikte plaats om dit alles te bespreken. Jullie kunnen me beter zo opzoeken in mijn vertrekken. En ik wil horen wat jullie in de tussentijd hebben meegemaakt.’ Alexander knikte en Gilgamesj gaf de aanwijzingen voor waar ze hem konden vinden. Eerst moesten de formaliteiten rond hun riddering nog afgerond worden. Ze moesten toch echt aan iedereen voorgesteld worden, of ze elkaar nu al eens gezien hadden of niet. De koning stond erop dat zijn ridders bekend waren onder de bewoners van het fort.
Eenmaal ze konden ontsnappen aan de festiviteiten, gingen ze naar Gilgamesj en met hem bleven ze nog uren aan de praat. Gilgamesj vertelde het verhaal van hoe hij en Scathach hadden geholpen Arthur op de troon te krijgen en hoe de koning aan Excalibur en later ook Clarent was gekomen. Ook was hij op de hoogte van de wereld achter de “gewone” wereld en was hij ontwakend. Zijn aura was goud, één van de meest zeldzame aura’s die er waren. En één van de meest krachtige, maar de koning had er nooit fatsoenlijk mee getraind. Hij had meer interesse voor vechten en koning zijn. Het maakte Gilgamesj bang voor wat er zou kunnen gebeuren op het slagveld. Voor wat er kon gebeuren als de koning besloot zijn ongetrainde aura te gebruiken. In het ergste geval kon hij alles en iedereen in de nabije omgeving vernietigen, inclusief zichzelf.
Alexander en Hephaistion zouden hun best doen hem te overtuigen van het belang van een getrainde aura, maar ze verwachtten weinig succes gezien de koppigheid van de koning en de vermoedelijk geringe tijd die ze hadden.

En slechts een week later werd duidelijk hoe weinig tijd ze inderdaad hadden. Ze waren op een verkenningstocht met Gawain, Galahad, Palamedes en enkele gewone soldaten. Het begon als een gewone verkenning en de vijf ridders waren rustig met elkaar aan het praten. Het was ook de eerste keer dat hij met Palamedes kon spreken, want de donkere man had zijn interesse gewekt. Alleen had hij zich afzijdig gehouden van de nieuwkomers.
‘Hoe ben je hier eigenlijk terecht gekomen in Britannië?’ vroeg Alexander hem, toen hij naast hem kwam rijden.
‘Hoezo zou je dat willen weten.’ De ridder klonk nors en afwijzend, maar Alexander zette door.
‘We horen hier allebei niet thuis en komen van ver. En ik vermoed dat we allebei een interessant verhaal hebben. Ik ben gewoon nieuwsgierig naar iemand die in ongeveer hetzelfde schuitje zit.’
‘Ongeveer hetzelfde schuitje, laat me niet lachen.’ Palamedes snoof verontwaardigd. ‘Je bent bijna net zo blank als die bleekscheten hier. Iets meer gebruind en je accent klinkt grappig, maar dat is het enige dat jou van hen onderscheidt. Maar ik val altijd op, ik zal altijd als anders gezien worden vanwege mijn huidskleur.’
Even had Alexander het gevoel dat hij maar beter kon stoppen. Toch zette hij door, want zijn nieuwsgierigheid overwon. En hij hoopte in een beter daglicht te komen staan bij deze man.
‘Mijn excuses, zo bedoelde ik het niet. Ik bedoel dat deze cultuur ons beiden vreemd is. Voor mij valt jouw huidskleur niet zodanig op. Waar ik vandaan kom, zie je mensen met allerlei verschillende soorten huidskleuren en niemand is anders vanwege zijn of haar huidskleur.’ Even hing er een stilte, maar toen begon Palamedes met vertellen.
‘Ik ben gaan reizen, vervolgens verbannen en uiteindelijk ben ik hier terechtgekomen. Ik weet niet waarom ik gebleven ben, ondanks alle vooroordelen die men hier over mij heeft. Ik wordt ook gezien als een heiden, omdat ik me aan het Berberse geloof blijf vasthouden. Ze proberen me nog altijd te bekeren, maar ik hou het liever bij Chriselijke moralen gecombineerd met mijn geloof.’
‘Dank je dat je dit wilt vertellen. Ik vind het dapper dat je je eigen geloof wilt vasthouden. En goed, die Christenen moeten niet denken dat zij de enigen zijn en dat alleen hun geloof telt.’ Alexander was oprecht blij dat hij de ridder toch had weten te overtuigen.
‘Je hebt interessante opvattingen. Ik moet zeggen dat ik je langzaamaan begin te mogen.’
‘Ik kan me voorstellen dat ze interessant zijn vergeleken met die van de Britten hier. Ik hoop dat we nog vaker kunnen praten over zulke dingen, want ik vind jouw verleden ook oprecht interessant.’
‘Wie weet vanavond bij een warm vuur,’ stelde de ridder voor en gaf toen zijn paard de sporen. Het was duidelijk voor Alexander dat hij pas die avond verder wilde praten.
Enkele minuten later riep Gawain, die voorop reed, hen om te komen kijken. Vanaf de heuveltop konden ze wijds uitkijken en in de vallei beneden waren een hoop mannen te zien. Mannen die daar niet zouden moeten zijn.
‘Het zijn geen bandieten, daar zijn het er te veel voor. En het ziet er te georganiseerd uit. Dit leger heeft duidelijk een doel. We moeten uitzoeken wie het zijn en dan zo gauw mogelijk aan de koning melden dat een vermoedelijk vijandig leger zijn land heeft betreden.’
‘Hoe willen we uitzoeken wie het zijn? We kunnen moeilijk het kamp binnen lopen en vragen wat ze hier doen.’ Hephaistion grinnikte, maar de andere ridders leken Alexanders grap niet te kunnen waarderen.
‘Ze zetten vaak wachten uit die de omgeving in de gaten houden. Eén van hen moeten we vangen en ondervragen,’ legde Palamedes uit en Alexander voelde zich een beetje stom om hoe logisch dit was. Maar hij had altijd duidelijk geweten wie zijn vijanden waren en hoe ze te herkennen. En mocht hij die informatie nodig gehad hebben tijdens zijn veldtochten toen hij nog koning was, dan waren het zijn soldaten die dit voor hem deden en het kon hem nooit veel schelen hoe ze het deden.
‘We splitsen op, dan is de kans groter dat we er één vinden. Maar laat de paarden achter, ze mogen niet doorhebben dat wij in de bosjes op zoek zijn naar een eenzame wachter.’

Reacties (1)

  • SonOfGondor

    Oooh yes, opbloeiende vriendschap

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen