Foto bij H.152.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Het slaat nergens op. Ik ben veilig. Ik hoef me absoluut geen zorgen te maken over geld, zoals velen dat wel moeten. Ik heb de ontvoering overleefd en ga volledig herstellen. Ik lig in mijn eigen bed met Gioa in mijn armen terwijl ze er weer bijna zorgeloos uitziet. Dus waarom kan ik niet slapen?

Wanneer ik die ochtend wakker word, lig ik nog steeds in Evans armen. Hij ligt met gesloten ogen op zijn rug en houdt me beschermend tegen zich aan. Ik heb mijn hoofd op zijn borstkas gelegd en heb een arm hem heen geslagen. Normaal gesproken ben ik slecht in uitslapen, maar ondanks dat het al licht is, heb ik totaal niet de behoefte om op te staan. Ik zou zo weer in slaap kunnen vallen. Ik sluit vermoeid mijn ogen weer en voel dan hoe Evan afwezig over mijn haren strijkt. Blijkbaar was hij al wakker.
'Hi,' breng ik slaperig uit. Ik heb een vage herinnering dat ik ergens vannacht met een nachtmerrie wakker ben geworden en hij me heeft getroost, maar misschien was het een droom.
'Goedemorgen.' Ik kan de scheve grijns in zijn stem haast horen. 'Nog moe?'
Ik knik en nestel me met een zweem van een glimlach om mijn lippen nog dichter tegen hem aan, wat hij helemaal niet erg blijkt te vinden.
‘Als het altijd zo comfortabel blijft om met je in bed te blijven liggen, hebben we een probleem, later,’ merk ik slaapdronken op.
Hij lacht, zijn stem een beetje ochtendhees. Hij rolt op zijn zij om me nog dichter tegen zich aan te kunnen trekken. Ik heb de neiging om het snel koud te hebben en deze ochtend is ook geen uitzondering, dus ik ben er maar al te blij mee.
‘Mocht het je geruststellen,’ zegt hij, ‘vandaag hoeven we niks te doen. En morgen ook niet. En overmorgen ook niet. We kunnen nog heel lang blijven liggen. Ga maar weer gewoon slapen, als je moe bent.’
Mijn glimlach wordt breder en ik geef mezelf de kans om me weer helemaal te ontspannen. Ik maak een instemmend geluidje, want ik ben alweer bijna in slaap en ik ben al te ver heen om er ook maar één logisch woord uit te persen. Terwijl Evan liefkozend met zijn ene hand over mijn rug en met zijn andere hand over mijn haar strijkt, soes ik weer weg.
Ik weet niet precies hoelang ik nog geslapen heb. Misschien een kwartier, misschien twee uur. Af en toe ben ik tussendoor heel kort wakker geworden, maar telkens ben ik na een paar seconden weer weggezakt.
'Hoe laat is het?' vraag ik slaperig.
Ik voel hoe Evan zijn nek draait om de wekkerklok te kunnen zien. Dan antwoordt hij: 'Half twaalf.'
Mijn ogen vliegen open en meteen kom ik gealarmeerd overeind een stukje overeind, steunend op mijn elleboog. Verbaasd kijk ik hem aan en ik haal een hand door mijn warrige haar. 'Half twaalf?! Waarom heb je me niet wakker gemaakt?'
Ook hij werkt zich iets omhoog. 'Je had het nodig.' Hij laat de vingertoppen van zijn vrije hand over mijn hals dwalen. Dat is oneerlijk, want hij weet dat dat me afleid. 'Bovendien is het echt geen straf om in bed te liggen als ik jou bij me heb.'
Ondanks dat ik met mijn ogen zou willen rollen vanwege zijn zoetsappigheid, kan ik niet voorkomen dat er een verraderlijke blos op mijn wangen komt en ik automatisch moet glimlachen. Hij grijnst lichtjes en legt zijn handen om mijn gezicht. Even strijkt hij plagerig met zijn lippen over de mijne, bijna zonder me echt aan te raken, maar dan geeft hij me een liefhebbende kus.
Als klein meisje, toen ik nog echt heel jong was, droomde ik er altijd van om een prinses te worden, beeldschoon en aanbeden door iedereen. Nu besef ik me dat dit genoeg is. Ik wil de prinses niet zijn van een land met toverfeeën die pompoenen in koetsen kunnen veranderen. Ik wil zijn prinses zijn. Maar voor dat kan, heeft mevrouw de prinses een hele hoop uit te leggen, ben ik bang.
Net wanneer ik het voorzichtig aan wil kaarten, oppert Evan: 'Misschien kunnen we het best gaat... ont... lunchbijten? Ontchen?'
'Brunch,' zeg ik terwijl ik mijn lachen in probeer te houden. 'Het woord wat je zoekt is brunch.'
Ik gooi de lakens van me af en word verrast over hoe fris het is. Het maakt het idee om me weer achterover op het matras te laten vallen en me te begraven in de dekens nog aantrekkelijker. Ik houd me echter braaf in en kom overeind, waardoor ik opeens word overvallen door een vlaag van duizeligheid. Mijn hand zoekt automatisch naar een muur om tegen te steunen, maar die is er niet. Toch lukt het me om te blijven staan en even heb ik de hoop dat Evan niets heeft gezien, want dan kan hij ook geen lastige vragen stellen.
Wanneer ik mijn blik weer scherp heb kunnen krijgen, valt het me helaas op dat hij ineens een stuk dichterbij staat, alsof hij me elk moment op zou kunnen vangen.
'Gaat het?' vraagt hij, zijn stem ietsje sneller en hoger dan normaal, ook al probeert hij kalm te lijken. 'Wat is er aan de hand?'
'Niets,' wuif ik het weg. 'Gewoon wat licht in mijn hoofd.'
Hij kijkt me even onderzoekend aan en ik voel mezelf onzeker worden, alsof ik bang ben dat hij meer kan zien dan ik denk te tonen.
'Heb je dat vaker?'
Automatisch weeg ik snel mijn opties af. Als ik zeg van wel, gaat hij zich zorgen maken over hoe slecht ik er al die maanden aan toe was. Als ik zeg van niet, denkt hij misschien wel dat ik spontaan stervende ben. Dan besef ik me dat ik me misschien minder moet focussen op wat ik denk dat anderen willen horen en meer op wat de waarheid is. Als ik me daar altijd aan zou hebben gehouden, zou een hele hoop problemen aan me voorbij zijn gegaan.
'Zo nu en dan,' antwoord ik vaag, waarna ik er snel aan toe voeg: 'Maar niet vaak. Alleen als ik te snel opsta, soms.'
Hij blijft me speurend in zich op nemen, maar dan knikt hij, ook al is het duidelijk met tegenzin. Hij heeft waarschijnlijk wel door dat hij geen duidelijker antwoord dan dit uit me gaat krijgen.
Met onze ruggen naar elkaar toe kleden we ons om. Wanneer we naar beneden lopen, is hij blijkbaar nog steeds bezorgd, want hij leg zijn hand op mijn onderrug. Ik laat hem begaan.
Zodra we beneden zijn, kijkt hij even aarzelend om zich heen, alsof hij vergeten is hoe hij de keuken ook alweer had ingedeeld. Zo lang is hij nou ook niet weggeweest.
'Evan?' begin ik en ik ga op de tafel zitten. Mijn benen bungelen een eindje boven de grond. Ik ben ook echt gewoon hopeloos klein.
Aan mijn stem hoort hij dat het serieus is en met een ongeruste frons kijkt hij me aan. Hij leunt tegen het aanrecht aan, alsof hij niet helemaal weet hoe hij zich een houding moet geven. 'Ja?'
Ik kijk naar mijn handen, die bezig zijn het denkbeeldige vuil onder mijn nagels vandaan te peuteren. Dan schraap ik mijn keel en met verassend heldere stem zeg ik: 'Het is waarschijnlijk het beste dat ik uitleg wat er precies aan de hand was.'
Hij slikt. Waarschijnlijk wil hij het eigenlijk niet weten, heeft hij een heel eigen beeld bedacht waarmee hij vrede kon hebben. Nu is hij bang dat de waarheid zijn hart breekt. Ik ook, om eerlijk te zijn.
'Oké,' zegt hij toch en ondanks de twijfels die er overduidelijk zijn, klinkt hij redelijk vastberaden.
Ik kan het niet opbrengen om hem aan te kijken. Ik kijk naar zijn schouder, naar de muur, naar de vloer, maar nooit recht in zijn gezicht. 'Waarschijnlijk had je James de schuld willen geven, maar het is niet zijn idee. Het was mijn idee.' Ik slik. Ik durf niet op te kijken om te zien of het hem pijn doet. Ik weet al dat dat zo is. 'Ik zag dat hij zenuwachtig was, en vroeg wat er aan de hand was. Geoff LeNoir maakte deel uit van een grote drugsorganisatie, waarvan Matthew de leider was. Omdat LeNoirs dood mijn schuld was, ging ik ervan uit dat hij van plan was wraak te nemen op mij. Ik heb samen met James plannen gemaakt om een nieuwe identiteit aan te nemen en weg te vluchten.'
'Wanneer?'
'Al een paar weken voor mijn moeders rechtszaak.'
Ik heb al die tijd tegen hem gelogen. Hij heeft het recht om kwaad te zijn. Maar wanneer ik naar hem op kijk, ziet hij er niet boos uit. Niet op mij, althans. Eerder gefrustreerd, alsof hij vindt dat hij het door had moeten hebben. Hij haalt een hand door zijn haar en draait zijn gezicht weg, waarna hij haast ongelovig zijn hoofd schudt.
'Waarom ben je niet eerlijk geweest?' vraagt hij. Het laagje verdriet in zijn stem wat hij probeert te onderdrukken, ontgaat me niet. 'Ik had met je mee kunnen gaan.'
Waarschijnlijk verwacht hij dat ik ga zeggen dat ik het hem niet aan wilde doen om een leven lang op de vlucht te zijn, of om zijn huidige leven op te geven, maar dat doe ik niet. In plaats van hem een iets draaglijker excuus te geven, vertel ik de harde waarheid. 'Je begrijpt het niet. Evan, het was niet mijn bedoeling om ooit nog terug te komen. Het was een poging om mijn executie uit te stellen. Het was niet vluchten, het was wachten tot ze me zouden vinden. Ik wilde de aandacht van jou afleiden, zodat dat alleen mij zouden vermoorden. En James. Hij was sowieso ook al een doelwit. Hij had er vrede mee. We hebben het overlegd. Ik zou jou niet meesleuren de dood in. Dat is dan wel jammerlijk mislukt, maar het was wel waarom ik het deed.'
Ik maak de fout om hem even aan te kijken. Ik zie tranen in zijn wanhopige ogen. 'Je had het me op zijn minst kunnen vertellen,' zegt hij, haast smekend, alsof hij denkt dat ik terug kan gaan in de tijd om het anders te doen.
'Je zou me tegen hebben gehouden,' stel ik met een trieste glimlach vast.
'Waarschijnlijk wel,' zegt hij met tegenzin.
'Het spijt me,' antwoord ik, als een excuses voor een hele hoop dingen. Hij wuift het niet weg, maar accepteert mijn verontschuldiging ook niet.
'Ik kan gewoon niet geloven dat je zo... mákkelijk weg bent gegaan,' mompelt hij en hij durft geen oogcontact te maken.
Makkelijk. Het was niet makkelijk. Maar ik weet niet wat ik zou moeten zeggen. Ik weet niet zeker of het hem minder pijn zal doen als ik opbiecht dat ik zo lang heb gehuild dat ik op een gegeven moment gewoon hoopte dat ik kon huilen tot er niets meer van me over was, zodat de pijn in ieder geval weg zou zijn, maar ik zou voor geen goud willen dat hij denkt dat ik het "makkelijk" vond om weg te gaan.
'Op het moment dat ik wegging, was het enige wat luider om aandacht schreeuwde dan het verdriet,' zeg ik dan, 'de hoop dat mijn pijn zou betekenen dat jij zou blijven leven.'
Hij opent zijn mond om iets te zeggen, maar dan bedenkt hij zich weer. In plaats van zichzelf ertoe te dwingen om toch nog iets te zeggen, stapt hij naar me toe en kust me bijna koortsachtig.
'Ik hou van je,' mompelt hij tussen rusteloze kussen door, 'en ik beloof je dat ik ervoor zal zorgen dat je nooit meer weg hoeft te gaan.'

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen