Ze keerden terug naar het fort met een gevangene. Het waren Palamedes en Galahad geweest die de man hadden weten te overmeesteren en gebonden naar de paarden hadden gebracht. Hij had nog niet willen praten, dus daartoe zouden ze hem in het fort moeten overtuigen, met zachte of harde hand. Maar dit was geen taak voor de ridders. Koning Arthur had enkele mannen in dienst genomen die gespecialiseerd waren in het halen van informatie uit mensen. Zij zouden hopelijk ook deze man laten praten.
De ochtend na hun terugkomst werden ze ontboden in de grote zaal. Alexander vermoedde dat er nieuws was over hun ontdekking van de vorige dag.
‘Stilte!’ riep de koning en het duurde nog even voor al het geroezemoes daadwerkelijk verstomd was.
‘Vandaag is er door enkele van mijn ridders een bedreiging ontdekt voor ons rijk. Een vijandelijk leger bevindt zich niet al te ver van Camelot vandaan. Uit de verhoring van een gevangene is gekomen dat dit het leger van Mordred is! Hij is van plan ons aan te vallen, maar dit kunnen we niet laten gebeuren! We moeten hem voor zijn en hem uitdagen op het open veld waar we sterk zijn met onze ruiters. Stuur boodschappers rond en roep ons leger bijeen! We moeten zo snel mogelijk gereed zijn. Ga nu.’
Alexander vond het bizar hoe gauw alles was gegaan. Toen ze aankwamen leek alles nog rustig te zijn, maar binnen twee weken was het uitgelopen op oorlog. En zij zouden er middenin zitten. Niet dat Alexander dat heel erg vond, want de actie en spanning van het gevecht trok hem. Toch had hij graag iets langer de tijd gehad om zich op zoiets groots voor te bereiden. Waarschijnlijk zou de slag over enkele dagen al plaatsvinden. Alexander wist alleen niet hoe lang het zou duren voor ze hun leger bijeengeroepen zouden hebben en hoe lang het zou duren tot de vijand op hun stoep stond.
‘Kom mee,’ zei Scathach tegen hem en Hephaistion. ‘Ik heb jullie nodig bij de trainingen. Arthur wilt alle mannen uit het dorp bewapenen, maar de meesten hebben nog nooit een wapen in handen gehad.’ Ze was het duidelijk niet eens met het besluit van de koning. Ook Hephaistion sprak zijn twijfels erover uit.
‘Maar hoe willen we ongetrainde mannen in een paar dagen gevechtsklaar maken?’
‘Niet, dat is juist het probleem. Ze zullen alleen maar afgeslacht worden en de vijand tijdelijk bezighouden. Maar met deze dreiging, gaan we hem niet op andere gedachten kunnen brengen. Ik ken hem goed genoeg om dat te weten. We kunnen onze energie dus beter steken in het zo goed mogelijk voorbereiden van deze mannen.’
‘In deze slag zal hij het inderdaad moeten hebben van zijn getrainde leger,’ voegde Alexander aan het gesprek toe. ‘Ik hoop dat we deze mannen zoveel mogelijk buiten het gevecht kunnen houden.’
‘We zullen met de andere ridders hierover moeten praten, gezamenlijk valt er nog enige invloed uit te oefenen. Maar nu eerst de training.’
Ze volgden Scathach die hen hen fort uit leidde. In plaats van het dorp in te gaan, sloeg ze direct na de poort af. Ze moesten een klein rotsig paadje omlaag en kwamen toen op een groot open veld uit. Daar stonden al een paar mannen klaar met zwaarden, schilden en speren in hun handen. Soldaten liepen af en aan en brachten anderen naar het veld en drukten hen een willekeurig wapen in de handen. Al met al stond er een zooitje ongeregeld voor hun neus.
‘We moeten deze groep eerst orde en discipline aanleren,’ zei Alexander zachtjes. ‘Zonder zullen ze nooit wat voor elkaar kunnen krijgen op het slagveld.’ Alexander wist dit uit ervaring. Het was er al vroeg bij hem ingestampt door zijn vader en dankzij die organisatie, was het Macedonische leger uitgegroeid tot één van de beste legers ter wereld in zijn tijd. Alleen konden ze nu niet gaan werken met een uitgebreid signalen systeem, hij had niet eens de leiding over dit leger. Het was daarnaast ook niet duidelijk hoe Arthur zijn leger wilde gaan organiseren en wie welk deel ervan leidde. Na deze training zou hij wel om meer verduidelijking gaan vragen. Maar eerst moesten ze deze mannen voorbereiden op een veldslag.

Ze hadden met z’n drieën gauw een tactiek doorgesproken en waren toen ieder een derde van de groep gaan trainen. Alexander schreeuwde bevelen en trainde ze in georganiseerd marcheren. Ieder die uit de maat raakte, moest voor straf een lichaamsoefening doen. Ze leerden gauw en dat maakte hem tevreden. Vervolgens liet hij ze tegen elkaar sparren en bij elk tweetal nam Alexander de tijd om ze vlug een goede basis bij te brengen. Hij wilde vooral focussen op het reactievermogen en voetenwerk, met als toevoeging dat ze hun voeten goed konden gebruiken om hun vijand onderuit te halen. Hij wilde ze in deze korte tijd alles leren dat hen kon helpen het vol te houden tegen de vijand, ook al zou er vuil gespeeld moeten worden. Het was nodig om deze boeren en ambachtslieden zo gauw mogelijk weerbaar te maken.
Aan het einde van de dag waren ze al een redelijk eind gekomen, maar Alexander was slechts lichtelijk tevreden. Ze hadden veel bereikt, maar toch was het niet genoeg. Ze zouden te weinig tijd hebben om de mannen echt klaar te maken voor een veldslag.

Die avond had Alexander geregeld dat hij met de koning kon spreken. Hij was onrustig, want hij had geen idee hoe de koning op zijn vraag zou reageren. Van wat hij van Scathach had gehoord, was de kans aanwezig dat deze reactie niet positief zou zijn.
Hij klopte aan bij het vertrek waar de koning persoonlijke audiënties hield en hoorde al vrij gauw een ‘kom binnen’. Alexander ging het vertrek binnen en nam plaats op de stoel die de koning hem aanwees.
‘Wat brengt jou hier?’ vroeg hij en Alexander schraapte zijn keel uit nervositeit voor hij begon met spreken. Toch probeerde hij er verder zo min mogelijk van te laten merken.
‘Ik vroeg me af hoe u de verdeling van de troepen voor de slag wilde opzetten. Wie leidt welk gedeelte en wat is de tactiek. Ik heb daar tot nu toe niets over gehoord, maar ik ben graag voorbereid.’
‘Verdeling?’ vroeg de koning en hij leek oprecht verbaasd. ‘Ik leidt alles en we gooien ons gewoon in die slag. Geen tactieken nodig. Waarom zouden we? De hoeveelheid manschappen bepaalt of je wint of niet.’
Alexander wilde schreeuwen en hem slaan. Heel hard slaan. Hoe kon die man zo onzinnig denken? Zijn gebrek aan tactiek was juist hoe je een slag verloor, behalve als je geluk had en de vijand net zo stom was als jijzelf.
‘Tactiek kan allesbepalend zijn. Ik heb zat slagen gewonnen, waarbij ik in de minderheid was.’
‘Dat mag dan misschien jouw manier zijn van vechten, maar niet de mijne en die van mijn ridders. Dien me en houdt je mond, anders kom ik misschien op het idee dat je de titel ridder niet meer waardig bent.’ Arthur stond op en liep weg en Alexander wist dat het gesprek hiermee ten einde was. Hij had gefaald en kookte van woede, maar hij wist dat het geen goed zou doen als hij die woede nu zou uiten op de koning.
Hij verliet de vertrekken, maar gaf een extra harder zwieper aan de deur toen hij deze dicht wilde doen, zodat het met veel lawaai dicht knalde.
Toen hij zijn eigen vertrekken binnen ging, zag hij Hephaistion bezorgd opkijken. Zijn lichaamstaal gaf waarschijnlijk al duidelijk genoeg aan hoe het gesprek verlopen was.
‘Hij luisterde niet, hè?’ vroeg hij zachtjes.
‘Nee! Die eikel denkt dat oorlog voeren een spelletje is. Zoveel mogelijk mannen inzetten en je wint. Daarom dat hij die ongetrainde boeren wil inzetten, omdat hij denkt daarmee te kunnen winnen. Dit is waanzin!’
‘Ik ben alleen bang dat we hier weinig tegen kunnen doen. Hij zal zijn ridders waarschijnlijk ook wel gehersenspoeld hebben met zijn ideeën. Misschien is het beter om hem te laten vallen en vervolgens te helpen met een heropbouw van dit land.’
‘Maar hij heeft een gouden aura!’
‘Dat betekent niet alles. Hoe puur goud ook lijkt, het hoeft niet altijd pure goedheid te betekenen. Arthur laat dit zien.’
‘Je zal wel gelijk hebben. Maar mijn plan om met behulp van de ridders de dorpelingen buiten de slag te houden, zal nu ook wel niet lukken. Wat moeten we Hephaistion?’
‘We moeten zijn val laten gebeuren, maar zoveel mogelijk onschuldigen redden.’

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen