Enkele dagen later was Mordreds leger zo dicht genaderd, dat Arthur had besloten om de confrontatie uit te lokken. De slag zou op een vlakte niet ver van het fort plaats vinden en ook daar was Alexander niet gerust op. Als het mis ging, dan was het heel eenvoudig voor hun vijand om het dorp bij het fort te bereiken en dat te vernietigen. En met slechts een paar man zouden ze dat nooit kunnen stoppen.
Vlak voor de slag zou beginnen, had Alexander de mannen die hij de afgelopen paar dagen getraind had een waarschuwing gegeven. Als de slag eenmaal begon, moesten ze zich proberen zo afzijdig mogelijk te houden en de schildmuur te vormen die zij geleerd hadden te maken. Hij had ze nog duidelijk uitgelegd dat dat hen geen lafaards maakte, maar dat oorlogen uitgevochten moesten worden door de mannen die daarvoor getraind waren over een lange periode van tijd. Op deze manier zouden zij de grootste overlevingskans hebben. Als ze het op de manier van hun koning zouden doen, zou maar een klein deel van hen terugkeren naar huis.
Die ochtend heerste er een gespannen sfeer. Wapens en wapenrustingen kletterden, terwijl men bezig was hen aan te trekken of door het vlug opgerichte kamp liepen. Gezichten stonden grimmig of angstig, afhankelijk van of de man zijn angst durfde te tonen. Alexander wist dat bijna iedereen bang was, vanwege de legermacht die op hen af kwam en er gingen geruchten door het kamp dat er ook ergere wezens op weg waren naar het slagveld, zelfs de naam Cernunnos werd genoemd. De meesten deden de wezens uit deze geruchten af als mythen en verhalen, maar Alexander wist dat er weldegelijk waarheden in scholen. Dit leek op het eerste gezicht alleen zo’n menselijke zaak, dat hij hoopte dat de monsters weg bleven. Hij wilde niet mensen èn monsters bevechten.
De onrust in het kamp rees, toen er in de verte hoornstoten klonken. Mordred maakte zijn entree blijkbaar maar al te graag kenbaar. Gauw sprak Alexander de meevechtende dorpelingen nog moed in en richtte zich toen ook nog op de laatste voorbereidingen. Hij, Hephaistion, Scathach en Gilgamesj zouden meerijden in de charge. De ridders gingen voorop en zij dus ook.
Alexander bevestigde nog gauw twee dolken aan zijn riem en greep een speer mee, om vervolgens naar de provisorische stallen te lopen en daar zijn paard te halen. De stalknechten hadden alle paarden al gezadeld en het was slechts zoeken naar zijn paard en opstijgen. Hij zag daar meerdere ridders bezig met hetzelfde en de spanning was ook op hun gezichten te zien. Maar of dit was omdat zij zich zorgen maakten om de afloop of dat het gewone spanning was voor een veldslag, was de vraag. Alexander vermoedde het tweede. Ze hadden geen idee hoe rampzalig dit alles georganiseerd was.
Eenmaal Alexander op zijn paard zat, zag hij Hephaistion, Scathach en Gilgamesj iets verderop al klaarstaan. Gezamenlijk reden ze naar de plek waar de slag plaats zou vinden. Daar stond koning Arthur klaar, met enkele ridders al om hem heen verzameld. Ze sloten zich erbij aan, maar bleven uit de buurt van de koning. Hij mocht hun onvrede niet zien. Even liet Gilgamesj weten dat hij het daar niet mee eens was, maar Scathach snoerde hem al gauw de mond. Scathach was gestopt met geven om de koning vanwege zijn dwaze gedrag, maar bij Gilgamesj lag dit anders. Hoewel hij het niet eens was met hoe hij nu handelde, had de koning altijd nog een plekje in zijn hart. Een plek waarvan ze alledrie bang waren dat dat kon breken. Als de geruchten waar waren, zag het er namelijk niet goed uit voor de koning. Scathach had Cernunnos genoemd en zijn naam was nu ook gevallen in het legerkamp. Het kon niet anders of hij zou op het slagveld verschijnen en vermoedelijk niet alleen komen.

Uit de bosrand zagen ze al een deel van Mordreds leger tevoorschijn komen en Alexander hoopte dat de rest van het leger zou opschieten met opstellen. De slag beginnen zonder volledig te zijn kon rampzalig voor hen uitpakken, vooral als Mordred er gebruik van zou maken. En van wat Alexander tot nu toe over hem gehoord had, vermoedde hij dat de man daartoe in staat zou zijn.
Meer en meer van het vijandige leger kwam tevoorschijn en ze hielden hun ogen open voor mythische wezens. Gelukkig verscheen er nu nog geen van hen en was hun vijand slechts menselijk. Voor even was Alexander opgelucht, maar toen besefte hij dat er nog een hoop kon gebeuren in de komende tijd. Er moest eerst een hele slag uitgevochten en gewonnen worden voor ze echt zeker waren dat het voor nu goed zou komen.
Mordreds leger was nu compleet en langzaamaan naderden ze. Op een gegeven moment kon Alexander vaag de man zien die voorop reed. Zijn gezicht was niet de onderscheiden, maar het zwartharige ongehelmde hoofd zou te onderscheiden zijn tijdens de slag. Alexander wist dat de koning zijn zoon op wilde eisen als zijn slachtoffer, maar mocht hijzelf hem treffen in het gevecht, zou hij niet twijfelen om de man te doden. Voor het volk en ieder die meevocht in de slag. Met geluk zou de vijand zich terugtrekken als ze hoorden dat hun leider dood was en konden er vele levens gespaard worden.
Uiteindelijk was hun eigen leger ook compleet en net op tijd. De afstand tussen de twee legers was slechts een paar honderd meter en kon te paard in een korte tijd afgelegd worden. Er was weinig ruimte voor hun paarden om vaart te maken en zo een flinke klap uit te delen als de legers botsten. En Arthur was degene met de meeste ruiters in zijn leger. Mordred had hem dat voordeel deels ontnomen.
‘Ten aanval!’ riep Arthur zodra zijn eigen leger compleet was, beide armen vooruit gestoken met in elke hand een stenen zwaard. Excalibur en Clarent. De zwaarden zouden zijn lot bezegelen.
De ridders kwamen in beweging en met luid geschreeuw spoorden zij hun paarden aan.
‘Speren!’ hoorde Alexander opeens roepen toen ook hij net in beweging was gekomen. Tussen de vijandige ruiters vandaan kwam de infanterie met lansen tevoorschijn, de punten gericht op de aanstormende ruiters. Het zou een bloedbad worden als ze niets deden en het leek erop dat dat ook was wat Arthur zou gaan doen.
‘Uitwijken!’ riep Alexander en liet zijn eigen paard zich afkeren van de muur van lansen. In plaats daarvan wilde hij de flanken aanvallen, hopend dat ze daar niet te gauw ook een muur van lansen konden oprichten. Hij wist dat waarschijnlijk niemand naar zijn bevel zou luisteren, maar toch had hij hoop dat enkelen zichzelf toch zouden redden. Enkelen zouden misschien denken dat het de koning zelf was geweest die het bevel gaf. Op een slagveld ontstond gauw verwarring.
Met hem, weken ook Scathach, Hephaistion en Gilgamesj uit en tot zijn geluk zag hij ook enkele andere ridders meedraaien, hoewel enkelen misschien daartoe gedwongen werden door hun plotselinge manoeuvre.
De muur van speren vormde geen bedreiging meer en gauw stuurde Alexander zijn paard weer richting de vijand, maar nu hun flank die ze al dicht genaderd waren. De vijand was duidelijk in paniek en probeerde gauw nog speren naar die mannen aan te geven, maar ze waren niet snel genoeg voor de paarden.

Reacties (1)

  • SonOfGondor

    dat lijkt er meer op! tactiek!

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen