Met veel geweld botste hun kleine groepje op de voetsoldaten. Alexander dekte zichzelf zo goed mogelijk met zijn schild, terwijl hij met zijn zwaard gewoon rondmaaide. Hun snelheid was zodanig hoog dat hij niet de tijd had om zich te concentreren op een vijand. Hij merkte het vanzelf wel of hij staal of vlees raakte. Ondertussen deed zijn paard zijn best om te blijven rennen. Meerdere malen voelde hij hoe lichamen tegen dat van zijn paard botsten, maar geen van de soldaten deed daarbij echt schade.
Even had hij de ruimte om richting de frontlinie te kijken en tot zijn spijt zag hij niet veel ridders nog op hun paard. Hij vreesde het ergste voor hen die niet meer in het zadel zaten.
‘Alexander, let op!’ hoorde hij Hephaistion roepen en zag hem met zijn arm ergens naar wijzen. Alexander keek in die richting en zag hoe de infanterie plaatsmaakte voor hun cavalerie.
‘Apho*,’ mompelde hij, want hij moest heel snel nadenken. De ruiters konden hen makkelijk onder de voet lopen als hij niets deed.
‘Ruiters, vorm een linie!’ riep hij en hij hoopte dat ze snel genoeg zouden zijn, wilden ze nog vaart kunnen maken. Hij wilde een tegenaanval lanceren in de hoop dat hun kansen vergroot werden. Ze waren er nog niet allemaal, maar Alexander wilde het risico niet lopen dat ze verrast werden
‘Hijaa,’ spoorde hij zijn paard aan en leidde zo de tegenaanval. Het was hard op hard. De naderende ruiter liet zijn paard op die van Alexander knallen en hij wist maar net in het zadel te blijven en vervolgens het zwaard te ontwijken. Ondertussen probeerde hij zelf uit te halen en wist hij zijn tegenstander te raken. Eenmaal hij zijn evenwicht hervonden had, was hij de ruiter al voorbij gereden en kwam de volgende vijand op hem af. Er was geen ruimte om uit te wijken en de paarden knalden tegen elkaar aan. Alexanders paard wist niet overeind te blijven en zakte door zijn benen. Hij wist niet hoe gauw hij uit het zadel moest springen, wilde hij niet geplet worden onder zijn paard. Wankelend landde hij op zijn voeten, maar een ruiter kwam al op hem af met geheven zwaard. Net toen de ruiter wilde toeslaan, werd hij doorspiest met een lans.
‘Alexander!’ Hephaistion bracht zijn paard tot stilstand en gauw probeerde Alexander weer stevig op zijn voeten te blijven staan. ‘Gaat het?’ vroeg Hephaistion en Alexander knikte. Zijn paard lag naast hem op de grond, zielig hinnikend. Hij hoopte dat het dier nog van zijn val kon herstellen, maar hij vreesde dat het over was voor het arme dier. Hij kon niets doen, want het gevecht eiste alle aandacht op. Een ogenblik nadat hij naar het dier had gekeken, kwam er al een vijandelijke soldaat op hem afgerend. Alexander pareerde de slag en haalde toen zelf uit naar de man om hem vervolgens zodanig te verwonden dat hij niet meer verder kon vechten.
‘Ik ga te voet verder, blijf jij in het zadel!’ riep hij naar Hephaistion en haalde uit naar de volgende vijand.
‘Nai**,’ antwoordde Hephaistion en hij spoorde zijn paard weer aan. Alexander vermoedde dat hij dichtbij zou blijven om hem te beschermen.
Om hem heen was het nu al een slagveld geworden. Zijn oren vulden zich met het geschreeuw en gekreun van mensen, het schrille gehinnik van paarden. Net naast hem viel er een ander paard ter aarde en na een vlugge blik op de kleuren, stak Alexander zijn zwaard in de ruiter, die juist probeerde te ontkomen aan het dode gewicht van zijn paard. Vervolgens vocht hij door, vijand na vijand verwondend of dodend. Af en toe ving hij een blik op van bekenden, die zich in eenzelfde dodelijke dans bewogen. Het was een chaos, maar opeens ontstond er een soort orde in die chaos. Mannen weken uit en te midden daarvan vochten twee mannen. Arthur en Mordred.
Ze hadden elkaar gevonden en ze zaten nu verwikkeld in een dodelijk duel. Alexander was er zeker van dat één van hen het niet zou overleven. Ieders hoop lag op dat Arthur het duel zou winnen. Hopelijk zou de koning zijn rust kunnen terugvinden bij de dood van Mordred en zo ook de vrede en orde terugbrengen in het land. Dat hij geen boeren meer zou hoeven onderdrukken.
Alexander probeerde de orde van het duel in de gaten te houden, maar de chaos van de veldslag sleepte hem mee. Wapens flitsten voor zijn ogen en hij moest gefocust blijven om met zijn eigen zwaard alles te kunnen pareren en terug te vechten. Toch ving hij ogenblikken op van het duel. Tijdens de eerste paar blikken, leek er nog weinig gebeuren. Viel het geluid van staal op staal en het gefrustreerde geschreeuw van beide mannen meer op dan de beelden die hij zag.
Tot opeens alles tegelijk leek te gebeuren. Alexander keek net weer toe op het moment dat Mordred toestak. Het zwaard doorboorde het vlees in Arthurs oksel en schreeuwend liet hij het stenen zwaard Clarent vallen. Zijn linkerarm was nutteloos nu, maar in zijn rechterhand greep hij Excalibur extra stevig vast. Mordred dook voor Clarent om er vervolgens mee uit te halen naar Arthur op het moment dat een luid hoorngeschal de lucht vulde. Het was geen hoorn van deze tijd. Een rilling van afschuw ging door Alexander heen bij het horen van de hoorn. En het besef van wie deze was.
Cernunnos was gekomen.
Alexander wist niet meer waar hij moest kijken. Naar Arthur en Mordred die hun duel voortzetten, ondanks de naderende dreiging die hun dood kon betekenen. Of naar het bovennatuurlijke leger dat zich nu met de slag kwam bemoeien, dat slechts uit was om dood en verderf te zaaien en daarbij ook hun rangen uit te breiden. De Wilde Jacht, bestaande uit wezens die nog het dichtst in de buurt kwamen van weerwolven, maar dan op een veel afschuwelijker manier. Ze hadden de lichamen van wolven, maar nog de menselijke gezichten van het slachtoffer. Alexander had gelezen hoe het werkte en wenste niemand dit lot toe.
Uiteindelijk verscheen ook de gigantische Cernunnos op het slagveld en hij stevende recht op de twee strijders af. Alexander wilde dat hij wat kon doen, maar er was niets mogelijk. De angst die dit wezen in hem opwekte liet hem verstijven. De hele slag leek stil te komen liggen door de komst van de Archon. Het bloedmooie gezicht van Cernunnos was het enige menselijke aan zijn uiterlijk en juist dat maakte hem extra angstaanjagend.·
‘Geef mij de twee zwaarden van macht!’ brulde hij en zijn stem weerklonk over het gehele slagveld. Uit angst weken de soldaten voor hem, het maakte niet uit aan welke zijde ze vochten.
Alexander voelde plots hoe hij meegetrokken werd, toen de Archon dichterbij kwam. Hij rook de bekende leer geur van Hephaistions aura, terwijl hij hem vasthield en hen met zijn aura verhulde.
‘We moeten hier weg,’ hoorde hij Scathach in een oor sissen. ‘We kunnen niets tegen Cernunnos en zijn volledige wilde jacht betekenen.’
‘Maar, we moeten ze helpen!’ bracht Alexander er tegenin, maar Hephaistion nam hem juist steviger vast. Op dat moment zagen ze ook hoe Cernunnos met zijn benen strijdknots zwaaide. Gekreun. Triomfantelijk gebrul. Enkele momenten later hief de Archon de twee zwaarden van macht in de lucht. Excalibur, het zwaard van ijs, en Clarent, het zwaard van vuur. Twee enorm krachtige zwaarden en Alexander snapte niet hoe Arthur ermee had kunnen leven. Misschien waren het de zwaarden die tot zijn wreedheid hadden geleid en zijn daaropvolgende val veroorzaakt hadden. Want zijn val was nu, op het moment dat Cernunnos de zwaarden neer liet komen. Vader en zoon ermee vermoordend. Arthur en Mordred.

*shit
**ja

Reacties (1)

  • SonOfGondor

    die woorden eronder zijn een mood

    shit.... ja...

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen