Foto bij Hoofdstuk 41

Hierboven het beeld waarover wordt gesproken.

Italië tijdens de Renaissance, Alexander vond het er heerlijk. Hij had kunst altijd wel kunnen waarderen en om nu tijdelijk in een stad te leven waar kunst op zijn best tot uiting werd gebracht, dat maakte hem gelukkig. In Florence werd er druk aan verscheidene prachtige kerken gewerkt met als toppunt de al voltooide Duomo. Daarnaast haalde de Medici familie eens in de zoveel tijd nieuwe kunstwerken binnen. Zo ook veel Romeinse beelden. Vaak keizers en andere belangrijke personen, maar er bestond ook veel Romeinse namaak van Griekse beelden. Hier had Alexander gemixte gevoelens over. Aan de ene kant vond hij die Romeinse beeldhouwers schaamteloze kopisten. Aan de andere kant was zo wel veel Griekse en Hellenistische kunst een soort van bewaard gebleven. Veel van de originele beelden waren kapot gegaan, omgesmolten of verloren gegaan. Zo scheen er ook een mozaïek te bestaan van één van zijn grote veldslagen, Romeinse namaak van een schilderij dat helaas al eeuwen niet meer bestond. Helaas misschien niet, want er klopte vrij weinig van en het was gemaakt in opdracht van Cassander aan wie Alexander nou eenmaal een grote hekel had.
Zo kwam het dat Alexander op een dag aan Francesco de’Medici vroeg of hij hun kunstcollectie mocht bekijken. Hephaistion kwam ook mee en ze kregen een rondleiding van één van de bedienden van het Uffizipaleis. De galerij bovenin was gevuld met beeldhouwwerken. Alexander zag inderdaad een hoop Romeinse keizers voorbij komen. Met sommigen had hij geen moeite om ze te herkennen, maar voor anderen moest Alexander vragen wie het nu precies was.
Halverwege hun bezoek kwam een andere bediende aangesneld en ze spraken zachtjes met elkaar.
‘Mijn excuses, er is een dringende zaak waar ik me mee moet bemoeien, kijk vooral rustig verder rond. Maar raak alstublieft niets aan!’
‘Dat komt in orde, dank u wel,’ gaf Alexander als antwoord, hoewel hij vrij koel klonk, en de twee mannen waren gauw al verdwenen. Alexander liet zijn vriendelijke facade zakken.
‘Wat een vertrouwen.’ Hij snoof en liep verder. Hephaistion wierp nog een laatste blik op een zwart beeld van de god Mars, die hij beter kende als Ares en wie ook een aloude bleek te zijn. Vervolgens liep hij achter Alexander aan.
‘Nouja, we moeten blij zijn dat ze ons met deze kunstwerken alleen durven laten. Ze vinden ons in ieder geval betrouwbaar genoeg. We hadden er ook uitgeschopt kunnen worden.’ Alexander haalde slechts zijn schouders op.
Ze keken nog wat verder tot een beeld hun aandacht trok. Het kwam hen wel heel erg bekend voor. Ze keken elkaar nog eens aan en barstten toen in lachen uit.
‘Ze hebben een beeld van je gemaakt!’ Hephaistions schaterlachen maakte hem het spreken moeilijk, maar het kwam eruit.
Het beeld leek inderdaad erg op Alexander, maar de uitdrukking was erg gekweld. Bijna alsof hij op sterven lag.
‘En wat doe je toch dramatisch! Al is dat niet zó ongewoon van je.’ Alexander hield het niet meer en ook Hephaistion ging vervolgens weer stuk van het lachen. Het duurde even voor ze allebei weer bijgekomen waren.
‘Rare Grieken, Romeinen of wie de originele makers ook waren,’ merkte Alexander op. Nog lichtelijk grinnikend, maar ook verbaasd nam hij het beeld in zich op.
‘Ik ben blijkbaar niet de enige die van drama houdt.’ Hephaistion schudde van nee met zijn hoofd. ‘Alsof ze wisten dat ik vergiftigd werd,’ vervolgde hij. Zover hij wist was de meest vertelde doodsoorzaak de koorts geweest, soms in combinatie met wijn.
‘Ik wil wedden dat er meerdere verhalen de ronde doen,’ relativeerde Hephaistion. ‘En het meest dramatische verhaal is natuurlijk het interessantst voor de kunstenaars. Je kent de Laocoön groep. De drama spat er vanaf en de mensen vinden het heerlijk.’
'Daar moet ik je gelijk in geven.' Alexander keek nog eens goed naar het beeld, maar besloot toen dat het tijd was om verder te lopen en het beeld achter zich te laten.
'Ik ben benieuwd of ze nog wat meer voor ons in petto hebben,' zei Alexander terwijl ze verder liepen, de rest van de beelden bestuderend. Af en toe keek hij toch achterom, naar het beeld van hemzelf. Hij bleef het intrigerend vinden. Misschien zou hij het van de Medici kunnen overkopen. Al had hij daar vermoedelijk een fortuin voor nodig en dat had hij niet. Momenteel hadden ze net genoeg geld om een pand te huren en henzelf in leven te houden. Het leven van een huurling bracht niet altijd rijkdom mee.
'Waarschijnlijk meer Romeinse keizers en goden. Daar blijft het merendeel toch uit bestaan.' Hephaistion was doorgelopen, terwijl Alexander nog even was blijven staan. Nog steeds starend en peinzend.
'Wat is er?' vroeg Hephaistion hem. 'Kan je het niet laten rusten?' Alexander schudde van nee.
'Hoeveel dagen zouden we ons als krijger moeten verhuren om genoeg te verdienen om dat beeld te kopen?'
'Oh, Alexander. Nee, teveel.' Hephaistion zuchtte diep en rolde met zijn ogen.
'Jammer.'
'Laat het rusten. Je hebt geen beeld van jezelf nodig. Hoe wil je het überhaupt vervoeren?'
'Ja, oké, ik snap de boodschap.'
Ze liepen verder en opeens zagen ze een man uit één van de nabijgelegen kamers komen lopen. Hij liep snel, maar keek behoedzaam om zich heen. Toen hij Alexander en Hephaistion zag, zette hij het op het rennen. Het voelde niet goed voor Alexander, dus besloot hij om achter de man aan te rennen. Hij was sneller en wist de man dus al gauw in te halen. Hij greep zijn arm vast en probeerde zichzelf toen af te remmen. Maar de vloer was glad en Alexander voelde zijn voeten wegglijden. Hij bleef de man vasthouden en zo vielen ze dus beiden op de grond. Hephaistion kwam snel aangehold en hees de man overeind.
'Dat je voor ons wegrent, betekent weinig goeds. Wat deed je?'
'En wat gaat jullie dan aan?'
Alexander was ondertussen ook weer overeind gekomen en keek nog eens goed naar de man. Zijn haar was kort en sneeuwwit en kille grijze ogen staarden hem aan. Alexander knipperde een paar keer met zijn ogen en zag toen ook de witte aura van de man verschijnen, die fel scheen. Ondanks zijn woede had het een zuivere kleur en dit deed bij Alexander alarmbellen rinkelen. Normale mensen hadden geen zuivere aura's en al helemaal niet zo fel. Zijn krachten moesten gewekt zijn en dit maakte dat Alexander hem met meer voorzichtigheid benaderde, zijn aura klaar om te gebruiken.
'We mogen dan wel slechts gasten zijn, maar het gaat ons wel degelijk aan als er iemand rondsluipt die hier duidelijk niet thuishoort.' Alexander keek Hephaistion waarschuwend aan en deze verstrakte zijn greep op de onbekende man. Zelf deed hij nog een stap dichterbij en begon met het doorzoeken van de zakken van de man. Daaruit haalde hij een document tevoorschijn dat was verzegeld met het zegel van de Medici.
'Nogmaals, wat doe je hier? En wat is dit?' Hij zwaaide met de brief voor de neus van de man heen en weer.
'Een brief die mijn meester wilt hebben. En ik zou maar oppassen, want ik weet zeker dat jullie niet aan zijn zijde staan.' Verbaasd trok Alexander een wenkbrauw op.
'Oh, ik herken onsterfelijken wel hoor. En ik weet precies welke volgers van de Duistere Alouden zich in deze stad bevinden en daar horen jullie niet bij.' Alexander had gelijk gehad met zijn gevoel dat er iets niet in de haak was met deze man.
'Doodt hem!' riep Alexander naar Hephaistion en beiden probeerden ze gauw te bedenken hoe ze hem konden doden met hun aura, want hun wapens waren afgenomen voor ze het gebouw mochten betreden.
Ze waren alleen niet snel genoeg, want de man rukte zich los, greep de brief uit Alexanders hand en liet tegelijkertijd een mistwolk ontstaan, waardoor ze hem niet meer zagen.
'Doe jullie meester de groeten van me! Mijn naam is Niccolo Machiavelli.' Met deze woorden verdween hij en hoewel Alexander en Hephaistion achter hem aan renden, konden ze door de mist geen spoor meer van hem vinden.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen