Foto bij Hoofdstuk 11

Heel de les Kruidenkunde heb ik geen enkele seconden naar Hermelien gekeken. Ze heeft heel de les geprobeerd om mijn aandacht te krijgen, maar ik wilde het niet.
‘Ey, kleindochter van die ouwe!’ Roept er iemand naar me. Ik draai me verbaast om en zie een groepje Zwadderaars rechts van me tegen de muur staan. ‘Ik geloof je niet. Jij zou nooit een kleindochter kunnen zijn van die ouwe zak.’ Zegt de voorste jongen
‘Wie zijn je ouders eigenlijk? Leven ze überhaupt nog wel? Of ben je net zoals Potter, familie loos?’ Vraagt een ander jongen. De zwadderaars beginnen te grinniken op eentje na. Het is Draco! Hij bekijkt me met een lichtbezorgde uitdrukking op zijn gezicht. Ik adem een keer diep in en uit en zet dan een glimlach op.
‘Geen idee. Misschien bestaan ze en ken ik ze niet. Misschien zijn ze dood en weet ik het niet. Het kan me geen hol schelen.’ Zeg ik neutraal tegen het groepje Zwadderaars.
‘Ik weet het wel zeker. Je bent een smerig modderbloedje! Je ouders waren bang voor je en dumpten je. Die ouwe zak had medelijden met je en nam je in huis.’ Zegt de een andere jongen nu. Niet boos worden! zeg ik tegen mezelf als ik mijn ogen voel branden. Hij is het niet waard om vervloekt te worden. ‘Draco, wat vind jij ervan?’ Vraagt de jongen aan Draco. Draco kijkt me angstig aan en ik haal ongeïnteresseerd mijn schouders op.
‘Je hebt gelijk. Ze is een vies, vuil Modderbloedje.’ Sist de jongen dan. Ik kijk naar Draco zijn uitdrukkingloze gezicht. Behalve zijn ogen, die verraden dat hij het stiekem niet wilt. Ook al wilt hij het niet ik voel hoe mijn ogen branden. Ik sluit rustig mijn ogen en voel de tranen over mijn wangen glijden. Ik ben niet gekwetst, maar brandende ogen voelen niet bepaald fijn.
‘Kijk, het arme weesje huilt!’ Roept een van de jongens. Ik steek mijn hand in de zak van mijn gewaad en pak mijn stok stevig vast. Langzaam haal ik mijn hand met de stok uit mijn gewaad en open ik mijn ogen.
‘Het WEESJE huilde niet. Het MEISJE had pijn!’ Roep ik kil naar het groepje jongens. Ik kijk naar de voorste jongen met zijn scheve tanden en zet een stap in zijn richting. ‘Waag het om mij ooit nog eens een Modderbloedje te noemen!’ Sis ik woedend naar hem. ‘Locomotor Mortis.’ Fluister ik zacht zodat niemand het hoort. Ik zet een stap opzij en de jongen valt plat op de grond. ‘Auch, misschien staan je tanden nu wel recht!’ Zeg ik tegen de jongen. De jongen roept naar de Zwadderaars dat ze hem moeten helpen maar tevergeefs. Iedereen licht plat van het lachen zelfs de Zwadderaars. Ik voel me meteen rustiger als ik zie dat iedereen lacht om wat ik heb gedaan. Ik voel hoe mijn ogen stoppen met branden en voor dat iemand nog iets tegen me kan zeggen, loop ik bij het groepje weg. Ik wil op mijn tweede dag nog geen problemen krijgen met docenten.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen