In de komende honderd jaar hadden Alexander en Hephaistion een hoop steden gezien. Soms vestigden ze zich in een stad voor meerdere jaren, zoals ze in Florence hadden gedaan. Maar vaak genoeg bleven ze ook rondreizen, nooit lang ergens blijvend. De jacht op monsters leidde hen. Zij gingen daar naar waar de geruchten vandaan kwamen. Ze maakten nieuwe vrienden, meestal onder andere onsterfelijken, maar kwamen soms ook oude bekenden tegen. Hun reizen brachten hen op een gegeven moment naar Amsterdam, waar toen de welvaart floreerde. De Nederlanden waren rijk geworden van de handel met het Verre Oosten en Amsterdam was het centrum van die handel. Ze hadden geen specifiek doel daar en het was interesse dat hen erheen lokte.
Ze wandelden over de drukke straten en langs de grachten waar mensen af en aan liepen met handelswaar en de rijken zich voorzichtig een weg erdoorheen baanden. Qua kledij bleven Alexander en Hephaistion in hun huurlingen rol, simpele, maar beschermende kleding en een zwaard aan hun zijde, al was het niet meer de Macedonische kopis, maar een sabel, die in die tijd erg in trek waren. Alexander vond het maar niets, maar ze mochten niet opvallen.
Ze keken wat rond, snoven de sfeer op. Ze waren niet van plan lang te blijven. Enkele dagen maar, misschien langer als het hen beviel. Ze wilden zich er alleen niet voor een langere tijd vestigen. Daar voelde de stad om één of andere reden te vol voor. Het voelde niet alsof ze er thuis konden horen, maar Alexander had dat gevoel met de meeste Noord-Europese steden. Hij voelde zich veel meer thuis in het warme mediterrane gebied, dat zoveel meer leek op zijn thuisland.
Ze kwamen na een tijdje lopen terecht in een straat die wat meer achteraf lag en waar het ook een stuk minder druk was. Daar liepen ze langs een winkeltje dat Alexanders aandacht trok. Het verkocht boeken, de nieuwste manier om literatuur massaal in te bewaren sinds de boekdrukkunst was uitgevonden. Hoewel het heel anders aanvoelde dan perkamentrollen, vond Alexander het een geweldige uitvinding.
Hij was nog altijd bezig met het uitbreiden van de bibliotheek en hier en daar nam hij wat mee op zijn reizen. Als het teveel werd om mee te nemen zocht hij een plek om alles veilig te bewaren, zodat hij, wanneer hij weer eens terug zou keren naar Tepe Sialk, alles mee kon nemen. Hij had al bedacht dat ze die reis met een kar zouden moeten afleggen om de kisten vol literatuur die her en der door Europa verspreid waren mee te kunnen nemen.
Toen ze de kleine boekwinkel binnen stapten, zagen zij zo gauw niemand en dit gaf Alexander de mogelijkheid om rustig rond te kijken zonder gestoord te worden. Veel van de literatuur was geschreven in de Nederlandse taal, die hem vreemd was. Ze waren niet eerder in dit land geweest en hoewel Alexander zijn best deed om zoveel mogelijk talen te leren, was het moeilijk om alles te leren, dus hield hij het maar bij de talen van de landen waarin ze gewoond hadden.
Hij schrok op van een stem die tegen hem sprak, die niet Hephaistion was. Hij keek om zich heen en zag een bruinharige man van middelbare leeftijd staan, die waarschijnlijk de eigenaar van de winkel was. Hij verstond de taal waarin de man tegen hem sprak niet, maar er was iets aan hem. In de loop van de tijd had Alexander beter geleerd om onsterfelijken te herkennen en dacht ook zoiets in deze man te zien, maar hij wist het niet zeker. Iets klopte niet helemaal.
'Français?' vroeg de man hem na een paar pogingen en toen knikte Alexander begrijpend. Ze hadden een tijd in Frankrijk doorgebracht. Tijdens de honderdjarige oorlog had hij aan de Franse kant gestreden en daarom had hij het noodzakelijk geacht om de Franse taal te leren.
'Ah, oui, Français,' en zo vervolgden ze hun gesprek in het Frans, wat de man zeer vloeiend bleek te spreken.
'Kan ik u ergens mee helpen?' vroeg de man.
'Oh, ik kijk slechts wat rond en zoek niets specifieks.'
'Achterin heb ik enkele boeken over Alouden en andere wezens staan, misschien dat je daar wat interessants kan vinden?' Zijn gevoel was juist geweest, deze man was in ieder geval op de hoogte van het bestaan van de Alouden.
'Gegroet onsterfelijke?'
'Dat klopt.' De man glimlachte en liep voor Alexander uit om aan te wijzen waar de geheime boeken stonden.
'Je hebt geen Aloude meester. Ik mis een zekere aanwezigheid van hen bij jou.'
'Dat klopt ook. Ik ben op eigen kracht onsterfelijk geworden. Wie is jouw meester?' Alexander had geleerd voorzichtig te zijn met deze informatie, want iedere vijand zou dit kunnen misbruiken. Aan de andere kant was deze man gebonden aan geen aloude, dus de kans dat hij aan de kant van de Duistere Alouden stond was klein. Toch bleef hij voorzichtig.
'Aan welke kant sta je?'
'Die van de mensen en de Alouden die voor hun lot strijden.' Terwijl hij sprak, pakte de man enkele boeken uit kasten en legde ze op een tafel neer. De meesten waren in het Latijn geschreven, een taal die veel onsterfelijken al vroeg leerden beheersen. Zo was er een gemeenschappelijke taal voor hen om communicatie tussen iedere onsterfelijke mogelijk te maken. Zo ook waren boeken voor hen in deze taal geschreven.
'Mijn meester is Zeus. Hij is ook de meester van mijn vriend.' Hephaistion was achter hen aangekomen en was begonnen met het bestuderen van de op tafel gelegen boeken, terwijl Alexander sprak met de onsterfelijke verkoper.
'Ik heb weinig eerder van hem gehoord. Is hij een goede meester?'
'Hangt af van wat je met goed bedoelt. Hij staat aan de goede kant en stuurt ons erop uit om te vechten tegen monsters die de mensheid bedreigen. Maar hij is geen vriendelijke meester en hij dwong mij in zijn dienst.' De man knikte en liep toen naar een tafel om wat op te schrijven. Alexander keek hem vragend aan.
'Als aantekening voor mezelf. Ik wil graag weten hoe elke aloude is. Ik wil ons allemaal naar een betere toekomst leiden en de wereld redden. De voorspelling moet uitkomen.'
'Welke voorspelling?' vroeg Hephaistion, die zich nu ook met het gesprek begon te bemoeien. Alexander wist nog niet helemaal wat hij van de man moest vinden.
'"De twee die één zijn, is de één die alles is. Eén om de wereld te redden, één om die te vernietigen." Het slaat op een tweeling met de twee meest zeldzame aura's: zilver en goud. Ik heb er mijn levenswerk van gemaakt om deze tweeling te vinden en hen te trainen, zodat ze de wereld kunnen redden.'
'Ik heb nog nooit van deze profetie gehoord en het klinkt onheilspellend. Waar heb je het gehoord?'
'Het staat in het boek van Abraham de Magus, dat ik ooit eens heb mogen aanschouwen.' Ook dit kwam Alexander niet bekend voor en hij haalde verontschuldigend zijn schouders op.
'Sorry, nog nooit van gehoord. En ik moet zeggen dat ik veel heb gelezen.'
'Het boek is ook geheim. Een man met een haak liet het aan me zien. Ben je ooit eens zo iemand tegengekomen?'
Alexander groef diep in zijn geheugen, maar kon zich niet herinneren ooit een dergelijk persoon gezien te hebben en hij schudde van nee.
'Wat is jouw naam eigenlijk?' vroeg hij de vreemde toen.
'Nicolas Flamel, geboren in Parijs en ondertussen alweer zo'n 300 jaar oud.' Het leek haast alsof de man indruk probeerde te maken met zijn leven en Alexander grinnikte.
'300 jaar maar? Hoewel je denkt veel van de wereld gezien te hebben, kan ik je vertellen dat dat niet zo is. Moge je nog een hoop tijd hebben om deze verder te verkennen.' Alexander had ooit gehoord van deze Nicolas Flamel, maar niet genoeg om meer informatie bij de man te kunnen herinneren, maar zijn arrogante manier van doen, stond hem niet aan. Alsof hij erg belangrijk was, doordat hij deze codex gezien had.
'En wie denk jij dan wel niet te zijn?'
'Alexander van Macedonië en ondertussen ben ik bijna 2000 jaar oud. Ik weet waar ik het over heb.' Hij negeerde de man verder en wierp toen een blik op de boeken op tafel.
'Welke zijn interessant?' vroeg hij aan Hephaistion, die ze al bekeken had en op wiens mening hij vertrouwde. Hij mocht Nicolas niet en wilde dus zo snel mogelijk weg zijn, maar hij wilde wel nog enkele boeken kopen en vooral deze soort. Ze hadden slechts heel weinig opgeschreven informatie over de Alouden en hun wereld. Hephaistion wees enkele boeken aan en Alexander maakte er een stapel van.
Nicolas had hen ondertussen slechts aangekeken en had niet meer gesproken.
'Ik zou wel graag deze boeken willen. Hoeveel?' De man noemde een prijs en Alexander keek moeilijk. Het was teveel, maar de informatie was het geld waard, dus betaalde hij. Het geld was afkomstig uit een potje waarin hij gespaard geld stopte. Het was speciaal voor boeken bedoeld.
Juist het moment dat ze de winkel wilden verlaten, kwam er een jongen binnen gelopen. Zijn aura was goud en direct keek Alexander naar Flamel.
'Laat hem niet ten onder gaan aan jouw voorspelling,' siste hij en hij verliet de winkel, op de voet gevolgd door Hephaistion die de jongen ook bezorgd nakeek.
'Wat een aparte man,' zei Hephaistion en Alexander humde bevestigend.
'Ik vertrouw hem niet helemaal en ik ben bang dat hij deze wereld nog een hoop ellende gaat brengen.'

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen