Met z’n vieren liepen ze richting de uitgang naar het kasteel, maar bij de trap naar de kerkers kwamen ze Sappho en Zeus tegen. Zeus stond weer overeind en zag er niet al te belabberd meer uit na die klap die hij had gekregen. Hij was vast door Sappho’s helende aura opgelapt.
‘Hoe staat het ervoor?’ vroeg Zeus.
‘Freud is dood en de monsters die boven zaten zijn of dood of ontsnapt. Op die laatste monsters moeten we nu jacht gaan maken. Ze kunnen niet ver zijn’
‘Laten we dan gaan.’
Ze liepen het kasteel uit en keken uit over de vallei en de bergen daarachter. Het kasteel was gebouwd op het hoogste punt van de heuvel. Ze hadden zo dus ook een goed overzicht over de naar beneden lopende tuinen. Beneden bij de poort naar buiten zagen zo nog enkele monsters lopen, maar de meesten waren de kasteelgronden al ontvlucht.
Ze renden naar beneden dwars door de tuinen heen. Ze hoefden nu geen moeite meer doen om zich verstopt te houden. De monsters wisten toch al dat ze er waren en zij wisten waar de monsters waren.
De paar monsters bij de poort hadden al gauw door dat ze eraan kwamen en begonnen luid te grommen.
‘Naast elkaar en wapens gereed,’ riep Alexander en hield zijn pas een beetje in zodat de rest naast hen kon komen rennen. Ze moesten het hebben van hun snelheid en behendigheid, want de verrassing waren ze kwijt, maar Alexander vermoedde dat ze die nooit hadden kunnen krijgen. Niet met die open tuinen tussen hen en de monsters.
Het monster, een hellehond, dat Alexander voor zijn rekening zou nemen, leek geen poging te doen zijn flanken te verdedigen, dus op het moment dat ze bijna zouden botsen, week Alexander uit. Hij deed enkele passen weg van het monster, maar probeerde zijn snelheid te behouden. De hellehond was verrast en had te laat door toen Alexander zich op zijn flank stortte, zijn zwaard vooruit gestoken. Het lemmet gleed het taaie vlees in. De hond piepte en gromde. Alexander draaide zijn zwaard nog een slag en het monster begon harder te piepen, tot het daar opeens mee op hield. Gauw wrikte Alexander zijn zwaard los uit het lijk, want er waren meer monsters om te doden.
Hij zag Aris moeite hebben met een andere hellehond die hij bevocht en Alexander besloot hem te hulp te schieten. Er was geen tijd voor eervolle gevechten, dus viel hij het monster van achter aan. Eerst sneed hij de pezen van zijn achterpoten door, waardoor het beest piepend neerviel. Aris maakte gebruik van de afleiding en hakte de kop af. Ze zagen nog twee andere monsters, vetala, en wilden erop af gaan, toen één van de twee dood neerviel. Even daarvoor had er een schot geklonken en toen Alexander even omkeek, zag hij inderdaad Matthias met geheven geweer staan. De bajonet had hij weer terug aan de voorkant bevestigd en, nadat hij hen voorbij gerend was, doodde hij hiermee de tweede vetala.
‘Eerste paar zijn ook dood, nu de rest nog.’ Alexander keek even naar de moordpartij die ze hier hadden aangericht. Alle tien de monsters lagen dood op de grond.
‘De rest zal niet ver zijn,’ zei Matthias. ‘Kom!’
‘Mogen we misschien heel even uithijgen van dit gevecht?’ vroeg Zeus, die duidelijk toch nog niet genoeg was opgeknapt.
‘Daar hebben we geen tijd voor. Eenmaal die monsters de weg bereiken, zullen ze mensen tegenkomen. Paniek zal uitbreken, onschuldigen zullen sterven. Wij zijn hier om dat te voorkomen, dus dat voorkomen zullen we ook!’ Matthias was bijna kwaad op Zeus en stiekem kon Alexander dit wel waarderen. Daarnaast was hij het ook zeker met zijn woorden eens. Er waren mensen die gered moesten worden van een gruwelijk lot.
‘Matthias heeft gelijk. We moeten nu door!’ Hij maakte aanstalten om door te lopen en zag dat de rest hem en Matthias volgde, al deed Zeus dit met een lichte tegenzin.
Eikel, hij moest ook inzien dat de mensheid belangrijker was dan hun rust. Na het gevecht konden ze bijkomen. Als alle monsters dood waren.
De monsters moesten de mensen geroken hebben, want in het bos kwamen ze slechts enkelingen tegen. Wezens die duidelijk wat zwakker waren dan de rest en voor het team ook niet zo moeilijk om zich van te ontdoen.
Eenmaal ze een uitzicht kregen op de parkeerplaats beseften ze zich dat ze toch wel flink haast moesten maken. De monsters zwermden uit over het terrein en kwamen wel erg dichtbij de grote weg.
‘We moeten iets doen om de mensen te beschermen,’ Sappho was ontsteld door het uitzicht. ‘Zeus, help me met een betovering om hen onzichtbaar te maken voor de mensen, zolang ze hen nog niet aangevallen hebben. Dan laten we passanten in ieder geval niet schrikken. En we moeten echt heel erge haast maken. Heren, ga vast naar beneden en leidt ze weg van de weg. Zeus en ik volgen zo vlug mogelijk.’ Sappho gaf de mannen een duwtje in de rug en spoorde ze nog harder aan om nu vlug te gaan.
‘Maar wat als…,’ begon Alexander, maar Sappho kapte hem af.
‘We redden ons wel. Ga, nu!’
Ze renden nu in plaats van het snelle looptempo van eerst. Ze bekommerden zich niet om de paar monsters die ze nog tegen kwamen. Liepen ze in de weg, dan werden ze gedood. Zo niet, dan werden ze genegeerd. Het was nu zaak om de monsters op de parkeerplaats af te sluiten van de weg. Ze mochten de mensen daar niet bereiken.
‘Vorm een linie!’ riep Alexander, toen ze de parkeerplaats op kwamen, en de rest ging in een lijn achter hem lopen. Ze renden richting de toegang van de parkeerplaats en daar zetten ze een brede lijn op.
Alle koppen werden plots op hen gericht, toen de monsters ze door kregen. Het waren er tientallen. Eigenlijk veel te veel voor hen vier. Zelfs voor hen zes wanneer Sappho en Zeus hen te hulp kwamen. De krappe gangen van het kasteel waren veel voordeliger voor hen geweest dan deze grote vlakte die nauwelijks te verdedigen viel.
‘We zullen moeten vechten voor ons leven,’ zei Alexander zachtjes en keek Hephaistion aan, die naast hem stond.
‘We redden het wel,’ antwoordde hij daarop, maar de vrees was ook in zijn ogen te lezen.
‘We gaan er het beste van maken.’ Alexander kuste Hephaistion vlug. Het voelde als een afscheidskus, maar hij hoopte met heel zijn hart dat er vandaag geen afscheid zou komen.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen