Verdwaasd keek Alexander naar de parkeerplaats die nu bezaaid lag met dode monsters. Maar zover was er geen teken van Zeus en plots werd hij zich gewaar van een stekende pijn in zijn borst. Hij controleerde zijn lichaam, maar kon daar geen verwonding ontdekken. Maar toen hij om zich heen keek, zag hij dat Hephaistion en Sappho ook verward keken.
‘Voelen jullie ook die pijn?’ vroeg Alexander hen en ze knikten.
‘Het heeft waarschijnlijk te maken met de dood van Zeus,’ zei Sappho en dat klonk Alexander logisch in de oren.
‘Ik had dat ook toen Freya stierf,’ zei Matthias zachtjes. ‘Een verschrikkelijke steek in je borstkas, niets dat je eraan kan doen. Het vervaagt vanzelf, maar toen maakte het alles alleen maar erger.’ Even was Alexander verward om zijn woorden. Wat was er dan nog meer aan de hand geweest? Matthias was toen gebroken geweest om de dood van Freya, maar nu was er bij hem zelf slechts die stekende pijn die nu al lichtelijk begon te vervagen.
‘Wat maakte het erger?’ vroeg Alexander dus ook.
‘We hebben een tijd van elkaar gehouden. Het was van korte duur, want een relatie tussen een aloude en haar dienaar kan niet. Toch bleef er een band tussen ons. Toch ben ik altijd van haar blijven houden. Ik heb niet alleen mijn oude verloren vandaag, maar ook mijn geliefde.’ Alexander had even nodig om dit te bevatten, maar al gauw voelde hij ook medelijden en begrip.
‘Ik begrijp het nu. Als ik Hephaistion zou verliezen zou dat mij ook volledig kapot maken. Knap dat je toch door hebt weten te gaan. Ik had het waarschijnlijk niet gekund.’ Hij klopte Matthias op zijn schouder en keek toen naar Hephaistion. Nee, zonder hem zou hij niet kunnen leven. Gelukkig hadden ze dit alles overleefd. Zij allemaal trouwens, als ze de alouden niet meetelden. Alexander was opgelucht om dit te kunnen vaststellen. Hij had om ieders dood gerouwd als één van hen gevallen was. Zelfs Matthias, ondanks dat hij hem bij hun ontmoeting niet had kunnen uitstaan. Hij was de man tijdens het gevecht meer gaan bewonderen om zijn sterke wil, hoe erg die hen ook in de weg had gezeten in het begin.
‘Maar we hebben het gedaan. Ondanks dat we een hoge prijs moeten hebben betalen, we hebben het gedaan. De monsters zijn dood en geen gevaar meer voor de mensheid.’ Matthias keek hen allemaal aan en ondanks het verdriet dat nog in zijn ogen te lezen was, leek hij ook erg opgelucht.
‘Het is dat we hier nu niets te drinken hebben, anders zou ik erop proosten,’ zei Hephaistion en iedereen beaamde dat.
‘Hoe staat het eigenlijk met de militairen die het kasteel bewaakten?’ vroeg Aris. ‘We willen hier niet zijn als ze wakker worden.
‘Op de weg naar beneden zag ik ze nog bewusteloos liggen, al moet ik zeggen dat ik er niet geheel zeker van ben dat ze allemaal nog leven.’ Sappho keek bedrukt terwijl ze dit vertelde. ‘Sommige monsters zijn bloeddrinkers en hebben hen waarschijnlijk gebruikt als voedsel. Of gewoon te doden om het doden. Hen zal vast opgedragen zijn elk mens te doden dat ze zien.’
‘Dan moeten we echt weg voor de autoriteiten komen en al deze lijken vinden. Ze zullen niet snappen wat hier gebeurd is en ik wil niet de bak ingaan hiervoor. Maar hoe...’ Matthias keek om zich heen maar van de enige andere auto die er had gestaan was ook niet veel meer over, daarnaast hadden ze er ook geen sleutels van.
‘Ik ben bang dat we naar het dorp zullen moeten lopen,’ zei Alexander. ‘En daar dan een taxi bellen.’
‘Ik heb hier wel vrienden in de buurt wonen, maar ik wil ze ergens op een rustige plek kunnen bellen. Laten we inderdaad naar het dorp lopen.’ Matthias zuchtte en maakte aanstalten om te gaan lopen.
‘Laten we dan maar gelijk een café gaan zoeken en ons trakteren met een biertje dat we echt wel verdient hebben. Daarmee kunnen we dan eindelijk proosten!’ Aris wilde de goede moed erin houden en Hephaistion klapte hem tevreden op zijn schouder.
‘Dat is nou eens een goed idee!’
Glimlachend keek Alexander naar hen, maar de glimlach verdween weer toen hij Matthias zag lopen met hangende schouders. Hij nam zich voor om in het café eens goed met Matthias te gaan praten. Het liefst samen met Sappho, want zij wist goede raad te geven bij rouw.
‘Laten we dan gaan voor de politie hier is,’ zei Alexander en uiteindelijk liepen ze achter elkaar langs de weg, op weg naar het dorp Werfen.

Het café waar ze waren gaan zitten, was gezellig en klein. Wel vielen ze op tussen de paar lokale bewoners die er zaten. Blijkbaar was het toerisme hier een stuk minder nu het kasteel tijdelijk gesloten was. Met wat er over was van hun aura’s probeerden ze de verscheidene bloedvlekken op hun kleding en huid te verbergen. Anders zagen ze er te gehavend uit om zich te kunnen vertonen aan anderen. Matthias had ondertussen een paar mensen afgebeld en twee vrienden bereid gevonden om hen op te halen. Vanuit Salzburg konden ze dan weer ieder hun eigen weg gaan.
Net toen ze wilden proosten, kromp Aris plotseling ineen. Direct werden alle blikken op hem gericht.
‘Die steek, Prometheus…’. Verbaasd keek Alexander Aris aan.
‘Wacht, zeg je nu dat ook hij dood is?’ vroeg hij en Aris knikte.
‘Het kan niet anders, want dit voelt precies als hoe jullie het beschreven. Maar hoe en waar? Ik heb oprecht geen idee.’
Het was stil na deze onthulling. Allemaal beseften ze dat geen van hun alouden nog in leven was. Ieder was gesneuveld in de strijd tegen de Duistere Alouden.
‘Op een leven zonder onze alouden dan maar,’ zei Hephaistion na een tijdje en hief zijn glas. ‘We zijn nu volledig vrij om onze eigen weg te gaan, maar laten we doorgaan met waar we mee bezig waren.’
‘Op de vrijheid van de mensheid en die van ons,’ zei Sappho erop. Alexander prooste ook mee, maar Aris en Matthias leken hiertoe niet genegen.
‘Wat is er?’ vroeg Alexander, al had hij wel vage vermoedens van wat er aan de hand was bij hen.
‘Ik weet dat jullie Zeus een klootzak vonden en misschien wel blij zijn om van hem af te zijn. Maar ik gaf om mijn Aloude meester. Hij was goed voor me.’ Op dat moment sloeg Aris’ stem over en hij zweeg.
‘Het spijt me,’ zei Hephaistion. ‘Ik bedoelde het niet zo.’
‘Ik weet het. Maar de vrijheid kan ik helaas voorlopig niet met jullie meevieren.’
‘Ieder zal dit op zijn eigen manier moeten verwerken.’ Na weer een stilte nam Sappho het woord. ‘Maar ik vind dat we moeten proberen er voor elkaar te zijn. We hebben allemaal onze aloude verloren, ondanks dat ieder er zijn eigen gevoelens over heeft.’
‘Daar ben ik het mee eens. Laten we elkaar helpen en samen onze nieuwe plaats in de wereld vinden. Op onze vriendschap.’ Matthias hief nu zijn glas en iedereen prooste van harte mee.
Het was voor Alexander de beste proost van de dag. Er was inderdaad een extra bijzondere vriendschap ontstaan binnen de groep door hun gezamenlijke verlies. Matthias werd er moeiteloos toe opgenomen. Hij had ook een hoop goede kanten laten zien en hoewel ze vast nog wel eens zouden botsen, was Alexander toch blij hem nu ook een vriend te kunnen noemen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen