Foto bij Hoofdstuk 21

De jongen stopt voor het portret en laat mijn arm los. Heel voorzichtig voel ik zijn blik over mij heen glijden. Ik kijk de jongen voorzichtig aan en vlieg hem dan om zijn hals. De jongen verstijfd even maar slaat dan voorzichtig zijn armen om me heen.
‘Roxy, je had niks meer voor de jongen kunnen doen. Waarschijnlijk zijn de profesoren al bezig met een onderzoek. Het komt vast wel weer goed met ze.’ Fluistert hij zachtjes tegen me waarop ik knik.
‘Ik had sneller moeten zijn. Ik had de jongen moeten beschermen.’ Zeg ik zachtjes als ik hem loslaat. ‘Als niemand dit wezen stopt dan gaat Zweinstein dicht. Ik zal mijn vrienden dan kwijt raken en zal weer alleen zijn.’ Fluister ik tegen de jongen.
‘Zweinstein zal echt niet sluiten. Iedereen zal er voor zorgen dat deze school zal blijven bestaan. Jij zult ook nooit je vrienden kwijt raken. Ze houden van je en geven om je. Ze zullen er vast en zeker altijd voor jou zijn en als ze dat niet doen dan zal ik er voor je zijn.’ Verteld de jongen me rustig. Een Zwadderaar die er voor een Griffoendor is. wat is er mis met die jongen?
‘Maar ik ben een Griffoendor! Je zou mijn soort moeten haten.’ Breng ik verbaast uit. De jongen grinnikt zachtjes en schud dan zijn hoofd.
‘Ik mag je wel en iets zegt me dat je niet volledig een Griffoendor bent. Je hebt te veel pit en haat in je om er echt een van hun te zijn. Je kan echt doodeng zijn! Vooral met die ogen van je.’ Verteld de jongen me waarop ik begin te lachen. ‘Nu ga jij vlug terug naar je afdeling en zie ik je morgen in de les. Daar zullen we net doen of dit gesprek nooit heeft plaatsgenomen en we elkaar haten.’ Zegt hij met een scheve lach waarop ik op knik.
‘Slaap lekker Malfidus.’ Fluister ik naar hem als hij al wegloopt. De jongen draait zich even om en verdwijnt dan in de duisternis van de gangen ik draai me naar het Portret toe en kijk meteen naar een boze Dikke Dame.
‘Ik weet wat je denk en het kan me vrij weinig schelen.’ Mompel ik naar de vrouw. Ze knikt en gaat met een zwaai open. Ik loop vlug de leerlinge kamer binnen en zie iemand op de bank zitten. Zodra ik dichtbij genoeg ben herken ik de jongen. Ik ga voorzichtig langs de jongen zitten en hij kijkt me verbaast aan.
‘Waar kom jij vandaan?’ Vraagt hij verbaast.
‘Van buiten de leerlinge kamer. Er is weer iemand versteend.’ Mompel ik waarop de jongen langzaam knikt. ‘Ik heb de kat van Vilder niet versteend.’ Zeg ik vlug als de jongen niks zegt.
‘Dat weet ik. Ron heeft het verteld en ik vertrouw hem.’ Zegt hij waarop ik voorzichtig knik.
‘Fred?’ Vraag ik zachtjes waarop de jongen meteen opkijkt. Ik heb het in een keer goed!
‘Ja?’ Vraagt hij als ik niks meer zeg.
‘Ik ben bang.’ Fluister ik en voel dan hoe de tranen over mijn wangen beginnen te stromen. De jongen kijkt me medelevend aan en trekt me in zijn armen. Meteen voel ik een gevoel van veiligheid door mijn lichaam schieten.
‘Het komt wel goed. Nu ga jij vlug naar bed en praten wij morgen er wel veder over.’ Zegt de jongen waarop ik knik en naar boven slof. Daar plof ik neer op bed en val dan met veel moeite is slaap

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen