Frankrijk - 1788


Het was enkele uren na middernacht. Dat wist de jongen enkel door de slagen van de klokkentoren, die hij nauwgezet volgde. Daarna keek hij rond, naar de slapende stad die zich aan hem ontvouwde, en ging op zoek naar een slaapplek. Dat zou meestal een steegje zijn of, als hij geluk had, een onbewaakte stal of portier. Daar was het warm en werd hij beschermd van het gure weer. Wanneer het ochtendlicht echter aanbrak, werd hij snel weer weg gestuurd als één van de ongedierten op straat. Toch was het het waard als hij enkele uren onafgebroken kon slapen. God wist dat hij die momenten van rust nodig had, na de nog vermoeiendere dagen.
In de afgelopen week had de jongen gelopen, gewandeld en zichzelf voortgesleept tot zijn voeten hem niet meer konden dragen. Inmiddels herkende hij zijn omgeving niet meer. Hij wist enkel dat hij mijlenver moest zijn van zijn thuisdorp en het huis dat hij in alle paniek had verlaten. Hij had geweten dat hij meteen weg moest daar, de afstand zo snel mogelijk vergroten. Nooit zou hij terugkeren.
De jongen schudde zijn hoofd toen de herinnering zich aan hem opdrong, zo haarscherp voor zich. In plaats daarvan focuste hij zich op zijn zware benen, die zeurden om de verdiende rust. De jongen liep nog een klein stukje, tot hij een donkere steeg vond. Zodra hij zag dat het smalle straatje verlaten was, liep hij erdoor. Meteen kwam er een walm van vers brood zijn richting uit. In één van de donkere huizen moest een bakker reeds druk in de weer zijn, zich klaar makend voor de ochtend.
De jongen legde een hand op zijn maag toen die in protest begon te grommen. Hoe lang was het al geleden dat hij gegeten had? Deze middag een stukje brood, zo achteloos laten vallen door een bezoeker van het restaurant op de hoek. Hij had het mee gegrist voor iemand hem had kunnen opmerken. Maar er waren uren verstreken sinds die paar happen en zijn lichaam smeekte om meer. Ook zijn ledematen kon hij niet langer negeren, die schreeuwden om een zachte ondergrond om zich op neer te leggen in plaats van de harde straatstenen. Toch wist de jongen dat er niets anders op zat.
Hij zocht en vond een kleine trap, waar hij zich achter wou verschuilen. Toen hij echter dichterbij kwam, zag hij dat het plaatsje reeds werd ingenomen door een ander. De oude man keek hem enkel aan, met glinsterende ogen. Ook de jongen zei niets, vroeg niets, maar liep gewoon door. Hij had in de afgelopen dagen heel wat helpende handen leren kennen, maar ook handen die hem naar beneden duwden zodat ze zelf konden rijzen. Hij wist niet tot welke categorie de oude man behoorde en was ook niet van plan om daar achter te komen.
Rillend kroop de jongen weg in zijn jas en stak zijn handen onder zijn oksels, de enige plek die nog warm leek te blijven bij deze temperaturen. Bij die beweging kwam er een walm naar boven, die de jongen naar adem deed happen. Hij had dringend nood aan een bad. De jongen had zich in al die tijd maar eenmaal kunnen wassen, in de rivier naast de stad. Maar ook dat was al enkele, verschrikkelijke dagen geleden. Hij rook zichzelf bijna niet meer, was er gewend aan geraakt, maar de opgetrokken neuzen van voorbijgangers hadden genoeg gezegd. Ze gingen meestal gepaard met afgunst in hun ogen, klaar om te veroordelen voor ze iets van zijn situatie wisten.
Volledig vermoeid strompelde de jongen verder. Hij zat ondertussen in een rijkere buurt, die hij herkende aan de herenhuizen die aan zijn weerskanten op doemden. Misschien kon hij hier een portaal vinden, een beetje afgeschermd van de rest. Toen de jongen rond zich keek, werd zijn blik gevangen door een deur met een glazen raampje. Er scheen een warm licht door dat raam, dat warmte en gezelligheid beloofde achter de deur. De jongen leek erdoor betoverd; hij moest en zou naar de deur gaan. Met de laatste krachten die hij had, sleepte hij zichzelf naar het herenhuis en klopte op de deur. De jongen wachtte en wachtte, maar er kwam geen antwoord. Natuurlijk niet, wie zou het wagen om in deze late - of was het ondertussen vroege? - uren zijn deur te openen naar de mogelijke gevaartes op straat?
Overmand door de teleurstelling, zakte de jongen voor de deur ineen en liet zijn zware hoofd tegen de leuning rusten. Misschien was dit wel hoe het moest lopen. Hij had genoeg van de ontbering en ellende. Misschien zou deze koude nacht hem van het leven beroven en er eindelijk een einde aan maken. De jongen sloot zijn ogen en liet de nachtvorst hem overwinnen.
Een scherp getik kondigde het geluid van voetstappen aan. Er werd wat gerommeld aan de sloten aan de andere kant en de jongen deinsde naar achteren. De mysterieuze deur ging eindelijk open en het warme licht overspoelde de trap. De jongen beschermde zijn ogen en kon nog net een schim zien staan, omringd door lichtstralen.
Hij wilde iets zeggen, zichzelf verklaren, maar er kwamen geen woorden over zijn lippen. Hoe kon hij ooit onder woorden brengen wat er met hem gebeurd was? Hoe kon hij ooit van die demonen realiteit maken? Maar voor de vrouw in de deuropening leken er geen woorden nodig te zijn. Ze deed de deur nog wat verder open en zei op zachte toon: ‘Ach arme jongen… Kom maar binnen. Ik zal je helpen.’



Bedankt voor jullie abo ^^ er zullen iedere week 2 hoofdstukken geplaatst worden.
Feedback is heel erg welkom!

Reacties (4)

  • Slughorn

    Wauw geweldig geschreven (:

    1 maand geleden
  • AmeranthaGaia

    De proloog is in ieder geval al veelbelovend. Ik ga zeker verder lezen.

    2 maanden geleden
  • Talon

    Ohh ik ben benieuwd^^

    Een kleine opmerking: Afgunst is een ander woord voor jaloezie, ik denk dat je daar minachting beter kan plaatsen? ^^

    2 maanden geleden
    • Frodo

      Helemaal juist, dankjewel!

      2 maanden geleden
  • Ohorat

    Mooi geschreven!

    3 maanden geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen