Foto bij H.154.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
We moeten zometeen nog boodschappen doen, verzucht hij.
Er gaat een zucht door me heen.
Nog vijf minuutjes.
Hij drukt weer kus op mijn haar.
Vijf minuutjes, beaamt hij.

Evan Maxwell POV


Ik weet niet of ik Gioa's hand vastgepakt heb of zij de mijne, maar we laten elkaar in ieder geval niet los terwijl we door de supermarkt lopen. Als ik haar er naar zou vragen, zou ze het zonder twijfel ontkennen, maar ik kan aan haar zien dat ze zenuwachtig is. Ze blijft nerveus om zich heen kijken, alsof ze bang is iemand tegen te komen die haar kwaad wil doen. Ik kan het haar niet kwalijk nemen. En als ik zou beweren dat er geen vlaag van angst door mij heen gaat wanneer ik iemand zijn stem hoor verheffen, zou ik liegen.
Maar haar zorgen lijken als sneeuw voor de zon te verdwijnen wanneer er opeens iemand aan komt lopen die we allebei vaag kennen als de moeder van een klasgenoot die altijd van alles organiseert voor school. Ik vraag me af hoe het komt dat ze haar zo vertrouw, maar zodra ze haar begroet, besef ik het me. Ze acteert. En ze is er echt heel, héél goed in. Geen wonder dat ze alle mishandelingen al die jaren zo goed verborgen heeft kunnen houden.
'Gioa, wat is er met je keel gebeurd?' vraagt de vrouw dan met een frons op haar gezicht.
Gioa's grip op mijn hand verstevigt en ik geef geruststellend een kneepje, maar ik weet zelf ook niet wat ik moet zeggen. Toch valt het me op dat haar zenuwen helemaal niet op te merken zijn als je haar niet zo goed kent als ik.
'Ik ben gestruikeld en heb me toen opengehaald aan een rol gaas. Het is niet ernstig, maar het moest wel gehecht worden,' liegt Gioa. Ik besef me dat haar hoofd vast vol moet zitten met duizenden excuses voor elke mogelijke verwonding. Het kan haast niet anders.
'Oh, dat moet wel pijnlijk zijn. Vanaf nu voorzichtiger zijn, hoor. Je hebt al genoeg meegemaakt.' De vrouw lacht en we doen allebei mee, maar gemeend is het niet.
'Geloof me, ik heb mijn lesje wel geleerd.' Ik vraag me af of ook dat een leugen is, of dat ze er echt iets mee bedoelt.
'Waar was je de afgelopen maanden eigenlijk?' vraagt de vrouw betekenisvol. Ze raakt zelfs even Gioa's schouder aan en ze bevriest niet, ondanks dat ik zeker weet dat haar angst in dit geval de bittere waarheid is. Ik wist dat ze goed kon liegen, maar ik was er nog nooit zo bewust mee geconfronteerd. Even schiet het door me heen dat als ze zo goed is in toneelspelen, ze dat misschien ook wel deed tijdens al haar liefdesverklaringen, maar dan besef ik me dat dat het geval niet kan zijn. Leugens rollen gemakkelijker over Gioa's tong dan de waarheid. Toen ze zei dat ze van me hield, waren haar woorden zwaar van oprechtheid.
'Ik deed een stage in Frankrijk,' bedenkt ze feilloos. We hebben het niet gehad over wat we zouden vertellen als mensen ernaar zouden vragen, dus het kan eigenlijk niet anders dan dat ze dit ter plekke heeft bedacht.
'O, wat leuk! Waar in Frankrijk?'
'Limoges. Echt een prachtige stad. Ik heb er in de dierentuin gewerkt. Mijn Frans is niet bepaald geweldig, maar iedereen was erg geduldig met me. Ik wil zeker nog eens terug.' Ze glimlacht overtuigend - en dat moet wel nep zijn, want als ze écht glimlacht, ziet ze er niet zo uit.
De vrouw lacht terug. 'Nou, ik moet toegeven dat ik blij ben dat je terug bent. We waren even bang dat jullie uit elkaar waren gegaan en dat je was verhuisd. We vinden jullie heel leuk samen.'
Een beetje van haar stuk gebracht mompelt Gioa een bedankje en we nemen afscheid, waarna de vrouw al zwaaiend wegloopt.
'Wie is "we"?' fluistert ze na een paar seconden.
'Geen idee.' Ik laat een arm om haar middel glijden en ze leunt automatisch iets tegen me aan. 'Hebben ze trouwens überhaupt een dierentuin in Limoges?'
Ze maakt een wegwuivend gebaar en maakt zich van me los om het karretje voor zich uit te kunnen duwen naar het koelschap. 'Vast wel,' zegt ze terwijl ze me over haar schouder heen even aankijkt. 'En als iemand ernaar vraagt, hebben ze er prachtige léopards.'
Ik moet glimlachen vanwege haar overdreven Franse accent en word automatisch overrompeld door herinneringen aan de Franse lessen die we samen hadden op school. Ze was waarschijnlijk de meest bekwame leerling uit de klas en doordat ik ook wel ietsje beter was dan de gemiddelde medestudent, was ik een van de weinigen die kon horen dat ze andere leerlingen beledigde en uitschold in het Frans. De rest kon het niet verstaan en de docent was zo geamuseerd dat ze deed alsof ze het niet hoorde.
Ze blijft stilstaan voor de zuivelafdeling en pakt het boodschappenlijstje. Ik ga achter haar staan en laat mijn armen om haar heen glijden. Mijn kin steun ik op haar schouder, alsof ik mee wil kijken, maar eigenlijk doe ik het zodat ik een kus kan drukken op de plek in haar hals waarvan ik weet dat het kietelt. In de weerspiegeling van de glazen deur zie ik hoe een blos haar wangen siert vanwege mijn openbare genegenheid, maar ze duwt me niet van zich weg.
Waarschijnlijk lijken we voor iedereen die ons ziet op een stelletje verliefde pubers en in zekere zin zijn we dat ook, maar ze zouden vast en zeker anders denken als ze zouden weten dat die liefde op de proef is gesteld door doodsangst, mishandelingen, moorden en een ontvoering.
'Evan, wat staat hier in hemelsnaam?' vraagt ze dan terwijl ze wanhopig naar een woordje wijst dat ik haastig op het lijstje heb geschreven vanochtend.
'Yoghurt.'
Ze houdt haar hoofd eventjes schuin en tuurt naar het woord, maar dan komt er een schampere lach over haar lippen. 'Ik hou van je, maar je handschrift is oprecht triest.'
Mijn lippen plooien zich in een glimlach en ik verstevig mijn omhelzing een beetje. 'Zegt dat nog eens.'
'Je handschrift is oprecht triest,' herhaalt ze plagerig.
Ik rol met mijn ogen, ondanks dat ze dat niet kan zien. 'Dat andere.'
'Ik hou van je.' Ik kan de glimlach in haar stem horen en plagend druk opnieuw mijn lippen kort in haar hals. 'En dat meen ik, echt, maar je handschrift is prut en als je me nu onderhand niet loslaat, gaan mensen staren.'
Met tegenzin neem ik een beetje afstand. Als ze het niet verschrikkelijk zou vinden, zou ik optochten houden ter ere van haar alleen. Als ik er talent voor had, zou ik duizenden schilderingen maken van haar gezicht, dat ik tot op de detail uit mijn hoofd ken. Als ze het toe zou laten, zou ik haar kussen tot ze er duizelig van wordt.
Een maand geleden dacht ik dat ik hier nooit meer met haar zou zijn. Ik dacht dat ik haar nooit meer opgekruld in een stoel zou zien zitten terwijl ze opgaat in een boek. Ik dacht dat ik haar nooit meer zachtjes voor zich uit zou horen zingen wanneer ze denkt dat ze alleen is. Ik dacht dat ze nooit meer vlak naast me zou gaan staan, in een ruimte waar twee voetbalteams in passen. Maar, wonder boven wonder, zijn we nu toch hier, haar hand in de mijne, waar die perfect lijkt te passen. En ik laat haar ook niet meer los. Onze vingers blijven verstrengeld - in de supermarkt, maar ook wanneer we over straat terug lopen naar de parkeerplaats. Ik paradeer trots naast haar, alsof ik met haar wil pronken ten overstaande van de hele wereld.
Opeens hoor ik een gil en ik laat automatisch haar hand los. Het is een meisje. Heel ver weg. Gealarmeerd minder ik vaart en ik spits automatisch mijn oren, hopend op stilte, maar angstig speurend naar schoten, gehuil, geschreeuw, iets. Er wijst echter niets op een grote ramp. Waarschijnlijk was het gewoon iemand die verrast werd door een vriend, of schrok ze van iets in het verkeer. Misschien heeft ze net kaartjes voor haar favoriete concert gekregen. Wie weet. Het is vast niks.
Ik pak mijn normale snelheid weer op, maar dan valt het me op dat Gioa niet meer naast me loopt. Ik kijk over mijn schouder en zie dat ze bevroren op straat staat, haar ogen groot als schoteltjes. Haar adem, die ze inhield, komt weer op gang en is gejaagd, haperend. Ik draai me snel om en loop naar haar toe. Doodsbang kijkt ze me aan, of misschien ziet ze me helemaal niets meer, verblind door angst.
'Het is oké,' beloof ik haar en ik leg een hand op haar rug om haar weer aan het lopen te krijgen, maar ze trapt op de rem wanneer ik lichtjes duw. Ze draait haar hoofd opzij en me aan te kijken, met een blik vol benauwenis. Zenuwachtig schudt ze haar hoofd en haar blik wordt smekend.
Ik haal mijn hand weg en ze kijkt om zich heen, haar ademhaling sneller en sneller. Ze ziet eruit alsof ze in het nauw gedreven is, of als een hert in de koplampen van een auto. Het kan niet anders dan dat ze denkt dat iedereen naar haar kijkt, maar in feite let niemand op ons.
'Gioa?' Ze kijkt me niet aan, dus ik zeg het nog een keer. 'Gioa.' Nu heb ik wel haar aandacht. Ze kijkt me aan alsof ze een gekooid dier is. 'Het is oké. Kom mee, dan gaan we hier weg. Het komt goed. Er is niks aan de hand.'
In de wetenschap dat ik haar hier het beste maar zo snel mogelijk weg moet krijgen, pak ik haar pols en doe een poging haar met me mee te trekken, weg van de drukte. In het begin blijft ze nog bevroren stilstaan, maar al snel wankelt ze met me mee en zo snel mogelijk begeleid ik haar door de menigte, een verlaten steegje in. Ik laat haar los en voor een moment kijk ik haar hulpeloos aan. Ze staat daar maar, ineengekrompen en met gejaagde ademhaling en bevend over haar hele lichaam. Haar handen drukt ze tegen haar buik, alsof ze uiteenvalt als ze dat niet doet. Ik heb geen idee hoe ik haar moet helpen.
Twijfelend stap ik naar haar toe en neem haar gezicht in mijn handen. Met een trillende onderlip kijkt ze me aan, haar ogen nog altijd even groot en angstig. Ik weet heel lang niet wat ik zou moeten zeggen, maar net wanneer ik toch een poging wil doen om haar te verzekeren van haar veiligheid, is ze me voor.
'Ze klonk net als Ammay.' En dan begint ze te huilen. Een paar seconden later klinken haar snikken gesmoord, want ik heb haar tegen me aan getrokken. Met mijn hand strijk ik over haar haar en mompel een paar sussende woorden. Ik slik een brok in mijn keel weg. Het is zeker niet de eerste keer dat ik haar pijn heb zien lijden, maar elke keer dat ze huilt, voelt het alsof ik duizend voeten op mijn borst voel drukken.
Ondanks dat onze situaties allesbehalve hetzelfde zijn, weet ik hoe het is om een familielid te verliezen, om je compleet verlaten te voelen omdat één van die zeven miljard mensen op aarde niet meer leeft. En ik kan Ammay niet terugbrengen voor haar. Ik kan er alleen maar voor haar zijn wanneer het verlies haar op de meest onverwachte momenten weer als een mokerslag raakt, en ze een paar armen om zich heen nodig heeft om de scherpe pijn van de dood te kunnen vergeten.

Het verhaal begint langzamerhand op zijn einde te lopen. Dit is nog niet het laatste hoofdstuk. Het gaat nog ongeveer door tot hoofdstuk 160. Hierna heb ik nog een anders story die ik vrijwel meteen na de epiloog zal activeren.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen