Foto bij Hoofdstuk 31

bedankt voor de leuke reacties!

Ik open mijn ogen en verbaast kijk ik om me heen. Waar ben ik? Waarom lig ik in een tent? Ik spring van het bed af en ren naar buiten. Verbaast kijk ik de omgeving rond. Overal om me heen zie ik bergen waarvan de toppen zijn bedenkt met een laag witte sneeuw. Ik kijk naar boven en de felle zon schijnt in mijn gezicht. Het is dus rond de middag.
‘Hey, jij daar!’ Roept er iemand naar me. Verbaast kijk ik op en zie ik een onbekende jongen op me afrennen. Mijn ogen blijven haken in zijn lichtgroene ogen die me bezorgd bekijken. Verbaast en voorzichtig zet ik een stap naar achteren. ‘Je moet uitrusten. Je bent een hele week ziek geweest.’ Zegt de jongen.
‘Ziek?’ Vraag ik hem verbaast waarop hij knikt.
‘Toen we je vonden lach je bewusteloos met al je spullen in de regen. Je was doorweekt en helemaal onderkoelt. Je kreeg koorts en was zo ziek.’ Zegt de jongen waarop ik verward knik. ‘Ik heet trouwens Wessel.’ Stelt de jongen zich voor. ‘Hoe heet je eigenlijk?’ Vraagt de jongen me voorzichtig.
‘Roxanne.’ Vertel ik hem zachtjes terwijl ik om me heen begin te kijken. ‘Maar noem me maar Roxy of Rox. Wat jij fijner vind.’ Zeg ik zachtjes.
‘Hoe oud ben je?’ Vraagt de jongen.
‘Dertien.’ Antwoord ik kort. Ik kijk naar de lucht en zie iets vliegen. ‘Is dat een…’
‘Een vogel ja.’ Onderbreekt de jongen me vlug. Ik kijk de jongen aan en begin te lachen.
‘Het is een draak, niet waar?’ Vraag ik de jongen waarop hij teleurgesteld knikt. Denkt hij nu serieus dat ik een Dreuzel ben. Dreuzels zijn te dom om zulke wezens op te merken. ‘Denk je nu serieus dat ik een Dreuzel ben?’ Vraag ik de jongen waarop hij me verbaast aan kijkt en beschaamd knikt. ‘Waar zijn we eigenlijk?’ vraag ik zachtjes.
‘Roemenië, we zijn hier met een groep van veertien. We bestuderen draken, temen ze en trainen ze. Het is ons beroep geworden. We waren onderweg naar ons verblijf toen we jouw vonden. We hadden al thuis willen zijn maar we konden je niet alleen achterlaten.’ Verteld de jongen me waarop ik begrijpelijk knik.
‘Wat doe je hier dan nog. Ga, ga naar huis. Ik red me hier wel.’ Zeg ik waarop hij zijn hoofd schut.
‘Je gaat met ons mee.’ Zegt hij. ‘Het is alleen maar om even te kijken of alles goed met je gaat en je bent nog minderjarig we kunnen je niet alleen laten.’ Ik zucht en knik zak.
‘Oké. Op een voorwaarde.’ Zeg ik waarop hij knik.
‘Behandel me niet als een klein kind. Dit jaar was al gestoord genoeg. Er zijn leerlingen versteend door een rot slang. Ik ben wel wat gewend. Als jullie zien wat ik kan zullen jullie verbaast over mij zijn.’ De jongen kijkt me verbaast aan maar knikt dan.
‘Ik vraag maar niks. Zullen we gaan? Vraagt hij waarop ik knik en hem volg.
‘Je zou niks vragen.’ Plaag ik hem als we weg lopen en de jongen begint zacht te lachen.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen