Foto bij Hoofdstuk 32

Met zijn vieren lopen we richting hun verblijf. Na dat we eindelijk alles hadden ingepakt zijn we maar gaan lopen. De natuur is echt prachtig. In de verte verschijnt er een groot huis en ik kijk er met grote ogen naar.
‘Is dat waar jullie verblijven?’ Vraag ik de jongens waarop ze knikken. De vier jongens gaan steeds sneller lopen en ik steeds langzamer. Ik ben bang voor de rest. Wessel merkt dat ik de groep niet meer volg en komt langs me lopen.
‘Ze mogen je vast wel.’ Verteld hij me waarop ik zwak knik. Hij voorzichtig mijn hand vast en trekt me mee. Op een paar meter van het huis vandaan laat hij mijn hand los en loopt op zijn vrienden af.
‘Jullie zijn een week te laat! Hoe komt dat?’ Vraagt een vaag bekende stem. Meteen kijk ik verbaast op en bekijk ik alle jongens.
‘We werden verhindert door iemand.’ Legt Wessel uit. Hij stapt opzij en meteen kijk ik in twee oceaan blauwe ogen. De jongen blijft mij aanstaren en ik hem. een glimlach verschijnt er op mijn gezicht en blij ren ik op de jongen af. Ik vlieg hem in zijn armen en wikkel mezelf om hem heen. de tranen stromen over mijn wangen en voor zuchtig verberg ik mijn gezicht in zijn hals
‘Hey rustig, het is al goed.’ Fluistert hij zachtjes tegen me me.
‘Waar hebben jullie die gek vandaan?’ Hoor ik iemand vragen.
‘Durf haar nog een keer gek te noemen en ik breek je nek.’ Hoor ik Charlie boos naar de jongen roepen. Wat heb ik zijn bezorgdheid om mij gemist. ‘Je hebt het hier wel over Roxanne Perkamentus. Als ze nu niet zo verdrietig was geweest had ze dat allang zelf gedaan.’ Sist Charlie naar de jongen. Charlie strijkt lief door mijn haar en drukt een kus op mijn slaap en meteen begin ik te glimlachen.
‘Dat kleine ding?’ Vraagt de zelfde irritante jongen. Ik zucht geërgerd en voel hoe mijn ogen beginnen te branden. Charlie merkt het en verstevig zijn grip om mijn lichaam. Boos kijk ik om me heen en zie verschillende jongens me angstig aanstaren.
‘Verkeerde zet Dillen.’ Mompelt Charlie terwijl hij me probeert te sussen. Ik kijk naar Charlie en hij naar mij. ‘Mij maak je echt niet meer bang met die ogen van je. Je weet dat zwart je niet staat.’ Fluistert hij in mijn oor waarop ik begin te lachen. Ik weet nog dat hij voor het eerst zag dat ik mijn ogen kon veranderen. Bill en Charlie wilden een week niet meer tegen me praten. Bill is het gelukt, maar Charlie hield het na een half uur al niet meer vol. Op een of andere manier had de jongen altijd een zwak voor me. Ik moet zachtjes grinniken door mijn gedachten. Ik laat mijn ogen weer langzaam terug kleuren naar hun oorspronkelijke kleur en laat Charlie langzaam los.
‘Hoe ben je hier beland?’ Vraagt iemand aan me.
‘Lang verhaal.’ Mompel ik zachtjes.
‘Wij zijn dol op verhalen dus vertel maar.’ Zegt een van de jongens en ze willen naar binnen lopen.
‘Wat denken jullie wel niet?!’ Roep ik naar de groep jongens. Verbaast draaien ze naar me toe. ‘Verhalen moet je buiten vertellen bij een kampvuur. Op zulke avonden is binnen niet gezellig.’ Zeg ik waar de jongens beginnen te lachen en knikken. Vlug maken ze een vuur aan en gaan er allemaal om heen zitten.
‘Kom maar op met dat verhaal.’ Roept Wessel waarop ik begin te lachen.
‘Ik ga niet alles in de diepe details vertellen, maar ik zal het belangrijkste en het leukste vertellen.’ Vertel ik ze waarop ze allemaal knikken en me verlangend aan staren. Altijd fijn aandacht.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen