Foto bij H.156.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Ik loop naar buiten, de nacht in, en gooi de deur achter me dicht. Ik weet niet precies waarom ik ergens teleurgesteld ben dat hij me niet achterna is gekomen, want ik weet zeker dat ik boos zou zijn geworden als hij het had gedaan.

Mijn ogen lopen over en ondanks dat ik weet dat ik nog niet ver genoeg van het huis weg ben gelopen om uit helemaal uit het zicht te zijn, kan ik een diepe snik die door mijn hele lijf schokt niet binnenhouden. Voordat hij misschien meer kan zien van hoe ik instort, loop ik verder.
Ergens bij een boom laat ik mezelf op de grond zakken, mijn armen om mezelf heen geslagen. Ik weet niet eens waarom ik eerst zo boos werd en nu opeens zo verdrietig. Ik ben mentaal zo verschrikkelijk instabiel dat ik me ervoor schaam. Als ik de situatie wat geduldiger had aangepakt, was Evan nu niet zo boos geweest en had ik hier niet buiten in de kou gezeten, te trots om met mijn staart tussen de benen terug te gaan.
Ik weet niet hoe lang ik daar zit, maar op een gegeven moment gaat mijn telefoon. Ik kijk voor de zekerheid wie het is. Wanneer ik zie dat het Evan is die me probeert te bereiken, besluit ik niet op te nemen.
Na een paar minuten hoor ik opeens voetstappen en ik verstijf. Ondanks dat het onmogelijk is, schieten er allemaal scenario’s door mijn hoofd. In elk van die scenario’s zie ik Matthew weer voor me, met zijn kille ogen.
‘Gioa?’ Ik ben eigenlijk opgelucht wanneer het Evan is die voor me verschijnt, maar ik weiger het toe te geven. Voordat ik iets kan zeggen, is hij me voor. ‘Ik weet dat je niet wilde dat ik achter je aan kwam, maar je bleef zo lang weg en het is donker en je nam niet op...’
Ik bijt op mijn lip en kom overeind. Ik probeer zo waardig mogelijk de tranen van mijn gezicht te vegen. Weer is hij me net voor op het moment dat ik iets wil gaan zeggen.
‘Het spijt me. Het was echt een rotopmerking. Ik had het niet moeten zeggen. En ik meende het niet. Echt niet. Het spijt me echt,’ zegt hij smekend. Als hij me nog iets langer zo aan blijft kijken, zwicht ik.
Ik sla mijn armen om mezelf heen en kijk hem met een iets gekanteld hoofd aan. Ik weet niet precies welke houding ik mezelf moet geven. We hebben nog nooit echt ruzie gehad. ‘Het spijt mij ook,’ besluit ik dan maar te zeggen.
‘Ik wil geen ruzie maken.’
‘Ik ook niet.’ Ik sla mijn ogen neer.
‘Kom... kom je gewoon mee naar huis? Dan praten we erover, oké? Het is al bijna half twaalf.’
Ik bijt even op mijn lip. ‘Ik... ik wil eerst een paar dingen duidelijk hebben.’
‘Oké.’
‘Je bent een klootzak.’
‘Oké.’
‘En je mag al die psychische shit niet tegen me gebruiken als je boos bent.’
‘Oké.’
‘En ik ben echt heel boos op je.’
‘Oké.’
‘En ik hou van je.’
‘Oké.’
Ik ben even stil en kijk dan rond, denkend daar iets anders te zien dan alleen maar bomen en bosgrond. ‘En ik wil naar huis.’
‘Oké.’
‘En ik heb het koud.’
‘Oké.’ Hij doet snel zijn jas uit en slaat die om mijn schouders.
Wanneer we bij de voordeur staan, besef ik me dat ik mijn sleutel niet mee heb genomen. Gelukkig heeft Evan er wel aan gedacht. We lopen naar binnen en eigenlijk ben ik verschrikkelijk moe, maar omdat hij zelf blijft staan, wil ik niet gaan zitten, want ik weet dat ik me automatisch geïntimideerd zal voelen als ik zo ver naar hem omhoog zou moeten kijken.
‘Het was niet mijn bedoeling om je pijn te doen,’ begint hij. Aan zijn stem hoor ik dat het huilen ook hem nader staat dan het lachen. ‘Ik heb je nooit pijn willen doen.’
En het is verschrikkelijk, want het is waar wat hij zegt. En ik weet dat het zo is.
‘Dat weet ik,’ mompel ik met neergeslagen ogen.
‘Ik ben gewoon zo gefrustreerd, omdat...’ Hij valt even stil en haalt een hand door zijn haar. ‘Ik vermoedde al dat er iets niet klopte toen we nog op school zaten. Ik vermoedde al dat andere leerlingen je echt lastigvielen en niet alleen gewoon onaardig tegen je deden. En het idee dat er thuis iets aan de hand was, is ook al eens eerder in me opgekomen. Maar ik deed niks. Ik heb je te laat ernaar gevraagd en ik heb te laat besloten dat ik zou helpen.’
Ik zet een stapje naar hem toe en leg een hand op zijn wang, waardoor hij naar me opkijkt. Zijn ogen zijn nat van de tranen en hij kijkt beschaamd.
‘Dat is niet waar. Je was er toen ik je nodig had. Toen Jack me lastigviel op werk, heb je me geholpen. En later toen ik na school opeens verdween, de dag dat... de dag dat Ammay dood ging, ben je me komen zoeken. Op de momenten dat het er echt op aankwam, was je er altijd. Ik neem je niks kwalijk.’ Ik kijk hem indringend aan. ‘Niks.’
Er ontstaat een droevig glimlachje om zijn lippen. ‘Ik ben degene die zich als een klootzak heeft gedragen en toch ben jij degene die mij troost.’
Ik schud mijn hoofd, want ik weet niet precies wat ik ervan moet zeggen. Ik wil niet boos op hem zijn. En ik wil hem geen verdriet doen. Dat verdient hij niet. Bovendien snap ik wel waarom hij zo gefrustreerd was. De afgelopen maanden is voor ons allebei niet gemakkelijk geweest. Het moest er een keer van komen.
Plotseling kan ik er niet meer tegen dat hij er zo eenzaam uit ziet, ondanks dat ik er gewoon ben, dus ik sla mijn armen om hem heen, alsof ik hem wil beschermen tegen alles wat hem pijn kan doen. Hij doet hetzelfde bij mij en hij begraaft zijn gezicht in mijn haar. Na een paar seconden begint hij gedempt te snikken en ik verstevig mijn omhelzing, wrijf zachtjes over zijn rug. Ik pers mijn lippen op elkaar om mezelf in te houden, maar de tranen staan ook mij hoog. Ik vraag me af waar Evan al die keren dat ik huilend in zijn armen lag de kracht vandaan haalde om zelf sterk te blijven.
'Ik hou van je,' fluister ik, omdat ik bang ben dat hij de pijn in mijn stem kan horen als ik harder praat.
Hij slikt en ik voel aan de manier waarop hij me nog iets steviger vasthoud dat hij hetzelfde wil zeggen, maar dat hij zijn eigen stem niet vertrouwt. Een beetje onhandig gaan we op de bank zitten en we zakken steeds iets verder onderuit, tot we eigenlijk gewoon liggen. Ik lig op mijn rug en hij ligt bovenop me, tussen mijn benen.
‘Ik heb je echt heel erg gemist en... en ik ben echt heel blij dat je er weer bent, maar...’ Hij is even stil. ‘Maar de manier waarop...’
Ik knik. ‘Ik weet wat je bedoelt,’ mompel ik. En daarmee is het gesprek afgelopen. We weten allebei wat we bedoelen. Daarvoor hebben we geen woorden nodig.
‘Ik had die opmerking niet moeten maken. Ik meende het niet, ik was gewoon... gefrustreerd. Het spijt me echt,’ zegt hij na een paar minuten stilte.
‘Ik ben niet boos op je,’ beloof ik hem.
Met mijn linkerhand strijk ik door zijn haar en mijn rechterhand aait over zijn rug. Heel lang blijven we gewoon stil en na een tijdje sluit ik mijn ogen. Aan zijn ademhaling hoor ik dat hij in slaap is gevallen. Eventjes later volg ik zijn voorbeeld.

Een paar uur later word ik wakker van een schommelend gevoel. Ik open met moeite mijn ogen en zodra ik zie dat ik niet op de bank lig, gaat er een schok door me heen. Evan, die me blijkbaar heeft opgetild, staat abrupt stil. Mijn hoofd, die ik tegen zijn borstkas heb geleund, til ik een stukje op om het beter te kunnen zien.
‘Hey, je bent wakker,’ zegt hij, zijn stem iets gedempt omdat ik nog altijd half in slaap ben. ‘Ik werd net wakker en zag dat het half twee was. Ik dacht dat het het beste was als we echt naar bed gingen. Ik was bang dat je anders last van je nek zou krijgen.’
Met zijn elleboog maakt hij de slaapkamerdeur open en binnen een paar passen heeft hij me op het bed gelegd. Een beetje gedesoriënteerd kom ik, steunend op mijn elleboog, een stukje overeind. Ik ga zitten en wrijf wat in mijn ogen. Ik moet van ver komen. Op de tast klik ik een zacht nachtlampje aan en ik sta op.
Ik pak mijn pyjama en loop naar de badkamer om me om te kleden. Nadat ik dat gedaan heb, blijf ik bij het medicijnkastje staan.
‘Evan?’ vraag ik. ‘Welke pillen heb ik vanmiddag al op? Alleen mijn vitamines, toch?’
‘Volgens mij wel,’ zegt hij terwijl hij ook de badkamer binnenloopt, alsof hij dan magisch zou kunnen zien wat het antwoord is.
Met een zucht pak ik de pil tegen mijn ijzertekort en de pil die een infectie moet voorkomen. Na een korte aarzeling pak ik ook een pijnstiller.
'Hoofdpijn?' vraagt Evan terwijl hij een hand op mijn onderrug legt en er zachtjes overheen wrijft, alsof hij mijn pijn zo kan verlichten. Aan zijn stem hoor ik dat hij zich schuldig voelt. Waarschijnlijk denkt hij dat ik vanwege onze ruzie last van mijn hoofd heb. Ik durf niet met zekerheid te zeggen dat hij ongelijk heeft, maar dat zal ik nooit toegeven.
'Beetje,' antwoord ik terwijl ik het glas op de wasbak pak en met water vul. 'Het valt echt wel mee.'
In één slok giet ik alle pillen weg en er gaat automatisch een rilling door me heen. Medicijnen slikken heb ik nooit fijn gevonden. Wanneer ik Evan weer aankijk, zie ik dat zijn gezicht iets vertrokken is. Ik neem zijn gezicht in mijn handen en schenk hem een klein, geruststellend glimlachje.
'Het gaat echt wel. En het is niet jouw schuld.' Ik ga op mijn tenen staan en druk een zacht kusje op zijn lippen, alsof ik mijn woorden zo kracht bij kan zetten.
Hij knikt, maar niet heel overtuigd. Ik haak mijn vingers in de zijne, want ik zou niet weten wat ik moet zeggen om zijn zelfverwijt weg te nemen.
‘Zullen we maar gaan slapen?’ stel ik voor. ‘Ik ben doodop.’
Opnieuw knikt hij en we lopen naar bed toe. Ik laat me onder de dekens glijden en ga tegen Evan aan liggen, die net het nachtlampje uit heeft gedaan.
‘Welterusten,’ zeg ik terwijl ik een kus op zijn wang druk en mijn hoofd daarna op zijn schouder rust. Mijn vingers spelen wat met een rafelig stukje van zijn T-shirt op zijn borst.
Hij slaat zijn armen iets strakker om me heen en drukt zijn neus in mijn haar, alsof de geur hem geruststeld. Zijn hand strijkt zachtjes over mijn rug.
‘Welterusten.’

Reacties (1)

  • Luckey

    blij dat weer goed gaat tussen die twee

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen