Het was een donkere zomernacht. De sterren tekenden zich scherp af tegen hun duistere achtergrond en leken die avond wel extra te fonkelen. Ze waakten over de inwoners van het dorp Perle. Ze lagen allemaal, op enkele eenzame zielen na, in de diepe bewusteloosheid van de slaap.
Het was een erg warme dag geweest en de mensen waren dankbaar om de koele avondlucht via de vele open ramen in hun huizen te laten. Eén van die inwoners was een klein meisje, net zes jaar geworden. Ze lag in haar bed, dat recht onder een dakraam stond. Op die manier konden de sterren over haar waken. Dat was toch wat haar moeder steevast beweerde, als ze de slaap niet kon vatten.
Het meisje had de voorbije uren vredig gedroomd, met haar duim in de mond. Haar mondhoeken waren enkele keren omhoog gegleden, in een glimlach om de beelden die haar onderbewustzijn tevoorschijn toverde. Nu de nacht echter zijn hoogtepunt had bereikt, leek die vredigheid zich te keren.
De sterren konden zien hoe het meisje meermaals fronste en hoe haar duim uit haar opengesperde mond viel. Ze woelde onder de lakens en het zweet lag in pareltjes op haar voorhoofd. Ze zuchtte en kermde, om de beelden die enkel voor haar zichtbaar waren.
Door de felle bewegingen die het meisje maakte, viel een van haar armen langs het bed. Haar vingers lagen bewegingsloos naar de vloer gereikt.
'Niet doen,' jammerde het meisje en haar borstkas ging schokkend op en neer. Een zucht liep over haar lippen en op datzelfde moment verschenen er enkele flikkeringen rond haar vingers. Het was als de schittering van een lucifer, die bijna - maar net niet - ontstoken werd. Hoe verder het meisje in haar nachtmerrie werd gezogen, hoe meer flikkeringen er ontstonden. Tot... de toppen van haar vingers vuur vatten.
Het meisje merkte hier niets van - integendeel. De droom leek zijn klauwen steeds dieper in haar te steken en het meisje weg te trekken van de ongelooflijke realiteit.
Likkende vlammen ontstonden bij haar handpalm en gleden van haar vingers, zo de houten vloer op. Het duurde niet lang voordat ook die vuur vatte. Het maakte een knerpend geluid, als het breken van tientallen kleine takjes. Het was net niet luid genoeg om het meisje wakker te maken, ook niet toen het vuur zich nog verder verspreidde. Het was overweldigend en kroop overal; langs de plinten bij de muren, onder de spleet bij de deur. De zomerlucht, die uit het open raam kwam, speelde ermee en leek de vlammen alleen maar aan te wakkeren. Enkel het bed, waar het meisje in lag, bleef onaangetast.
Samen met de vlammen kwam de rook. Eerst was hij nog dun, maar na een tijdje werd hij ondoordringbaar en steeg hij als een donkere wolk op in de kamer. Het meisje schoot hoestend wakker, happend naar adem. Ze deed haar slaperige ogen open en keek vol afgrijzen haar slaapkamer rond, die geheel in vlammen gehuld was. Sliep ze nog? Was dit gewoon het volgende deel van de vreselijke droom? Het meisje kneep haar ogen nogmaals toe, maar toen ze ze open deed, was het vuur nog steeds daar; wachtend op haar. Ze kon amper ademhalen door de rook, die zich in haar lichaam drong, en klom uit bed. Niet in staat om ook maar iets te zien, zocht ze op de tast naar de kamerdeur. Haar vingers, die de reden waren voor het aanstichten van het vuur, deden nu helemaal niets meer.
Net toen het meisje een stap zette richting de uitgang, stak er een steekvlam op, richting haar gezicht. Ze gilde het uit van angst en beschermde haar ogen tegen de hitte en de vlammen. Er gebeurde echter helemaal niets.
Ze liet voorzichtig haar handen zakken en zag toen dat de vlammen voor haar opzij gingen en een pad voor haar vrijmaakten. De tranen rolden over haar wangen en haar hart ging als een razende tekeer.
Waarom ging het vuur voor haar opzij? Waar waren papa en mama? Waren de vlammen bij hen? De vragen bleven zich opstapelen, maar er was geen tijd om na te denken. Er was enkel plaats voor het verschrikkelijke hier en nu.
Het meisje schuifelde, met haar hand voor haar mond, richting de deur. Trillend liep ze langs de vlammenzee die haar bijna aanraakte, maar haar ongeschonden de trap liet bereiken. Waar ze ook keek, de vlammen waren overal. Ze kon amper ademhalen en haar verschroeide keel deed ontzettend veel pijn, alsof hij dicht geknepen werd.
Hoestend maakte ze vaart richting de voordeur, die ze open probeerde te trekken. Hij zat muurvast. Ze voelde de paniek in zich opborrelen en keek snikkend om zich heen, maar toen wist ze het. In haar herinneringen zag ze het mama en papa talloze keren doen. Mama had laten zien dat het metaal omgedraaid moest worden, en dan ging de deur open. Ze reikte omhoog en voelde toen aan de sleutel in het slot, draaide het om en trok de deur open. Opgelucht hobbelde ze naar buiten en ademde daar de verse lucht in. Ze nam zo groot mogelijke ademteugen en barstte in enorme hoestbuien uit. Wanhopig hapte ze naar zuurstof en haar ogen vulden zich met tranen.
Pas toen ze enigszins van haar hoestbui bekomen was, keek ze omhoog. Daar zag ze dat de vlammen om zich heen grepen en alles in hun greep verzwolgen.
Waar waren mama en papa? Waarom waren ze nog niet buiten? Met tranen in haar ogen keek ze omhoog. Ze voelde zich zo alleen zonder haar ouders om haar te troosten.
Op dat moment klonk er een afgrijselijk gegil, dat uit het huis kwam. Dat was mama. Waarom was ze zo bang? Gingen de vlammen niet voor haar opzij?
Het meisje zette angstig een aantal stappen achteruit toen het vuur de buitenkant van het huis verslond. Het dak, dat in lichterlaaien stond, begaf het en en stortte ineen, samen met de eerste verdieping van het huis. De houten balken waren eindelijk gezwicht onder het vernietigende vuur en leken nu als een kaartenhuisje ineen te vallen. Het geschreeuw verstomde.
Het meisje barstte in huilen uit en keek verloren om zich heen. Haar ouders zaten nog gevangen in dat huis, dat zich nu als een doodskist rond hun lichamen had gewoven. Ze was helemaal alleen.
Wat er daarna gebeurde, liet het meisje als een waas over zich heen komen. De buurvrouw knielde naast haar neer, trok haar in haar armen en fluisterde sussende woordjes. Ze moest de brandweer hebben gebeld, want in de verte loeiden de sirenes en zo werd het slapende dorp wakker geschud. Het geloei doorbrak het geknetter van de vlammen, die haar hele huis in de as had gelegd, en alles wat zich daarin bevond.

Het zou niet lang duren voor iedereen gehoord had van de familie Waeven, en de ouders die het leven hadden gelaten bij een brand zonder vindbare oorzaak. Net zo snel als de verhalen zich verspreid hadden, gingen ze weer weg, weggejaagd door een volgend drama of roddel. Voor het kleine meisje zouden de herinneringen echter nooit verdwijnen. Ze gingen gepaard met een allesverscheurend verlies en het onmiskenbare gevoel van schuld.

Reacties (1)

  • Luckey

    Omg
    Heb kippenvel !

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen