HEDEN


June klampte zich aan het gordijn vast. Haar hele lichaam beefde terwijl ze naar de man staarde die midden op straat stond. Bewegingloos als een standbeeld. Haar andere hand bewoog zich naar haar borstkas, waar haar hart pijnlijk samentrok. Honderden, zo niet duizenden keren had ze gedacht hem te zien. In iedere menigte had ze schouders, ruggen, handen en gezichten gezien die zo op die van hem leken dat haar hart opsprong, maar iedere keer walste de teleurstelling over haar heen en liet een koud en hol gevoel in haar achter.
      Maar nooit – nooit had ze hem recht voor haar huis gezien. En nooit had iemand anders hem opgemerkt.
      ‘Wie is die man, mammie?’
      June antwoordde niet. Ze durfde zich niet te verroeren, bang dat hij in het niets zou oplossen zodra ze dat deed. Maar ze was ook bang dat hij weg zou lopen als ze níéts deed.
      Uiteindelijk was het Juan die zijn hoofd wegdraaide. Hij wreef in zijn gezicht, zijn schouders schokten. June sloeg een hand voor haar mond toen ze zich realiseerde dat hij het echt was. Al lang geleden had ze de hoop opgegeven dat hij ooit nog naar haar zou terugkomen en ze wist dat ze hem beter niet binnen kon uitnodigen. Maar ze kon hem daar niet zomaar laten staan. Hij zag er zo verloren, zo gebroken uit dat ze dat niet kon negeren.
      Haar bevende handen vonden het hoofd van haar zoon en ze streek door zijn haren. ‘Dat is een vriend van mama, van vroeger, en het ziet ernaar uit dat hij in de problemen zit.’ Ze knielde voor hem neer en keek hem aan. ‘Mama moet hem helpen. Ga met je trein spelen, goed?”
      Glenn knikte, toonde een glimlach die zo op de hare leek en holde naar de trap toe.
      June liep snel naar de voordeur toe. Haar hart hamerde in haar borst. Wat als hij al weg was? Ze rende de voortuin in en keek de straat door. De tranen rolden al over haar wangen.
      ‘Juan!’ riep ze toen ze hem naast zijn motor zag staan. Hij stond op het punt om weg te gaan – alweer.
      Ieder ander zou zeggen dat het waarschijnlijk maar beter was, maar June wist dat dat niet waar was. Hoeveel pijn hij haar ook had gedaan, ze gaf nog steeds om hem en er moest iets verschrikkelijks met hem zijn gebeurd als hij na vijftien jaar ineens voor haar huis opdook.
      Hij keek over zijn schouder, nog steeds in zijn ogen en over zijn wangen wrijvend. Ze begon te rennen en negeerde de steentjes die in haar blote voeten sneden. De angst dat hij opnieuw zou weggaan sluimerde toen hij zijn hoofd boog. Zijn schouders hingen verslagen naar beneden.
      Ze hoorde hem bevend ademhalen toen ze tegenover hem stond en hem in haar armen trok. Een rilling kroop langs haar ruggengraat toen hij zijn gezicht tegen haar schouder begroef en nog harder begon te huilen.
      ‘Het is oké,’ fluisterde ze, tussen zijn schouderbladen wrijvend. ‘Het is oké, lieverd.’
      Zijn gebrokenheid schokte haar. Als tieners hadden ze veel meegemaakt en ze had hem een paar keer zien huilen, maar nu was hij volwassen.
      Een lange tijd bleef ze hem vasthouden. Uiteindelijk keek hij naar haar op. Zijn duim streelde haar wang. Kippenvel verspreidde zich over haar hele lichaam en ze sloot haar ogen toen haar lippen begonnen te beven.
      ‘Ik heb je zo gemist,’ fluisterde hij.
      Het horen van zijn stem zorgde ervoor dat de tranen in haar ogen brandden. Haar keel voelde rauw. Ondanks dat ze zich groot probeerde te houden, doken de tranen in een razend tempo naar beneden. Eigenlijk zou ze woedend moeten zijn. Hij had haar verlaten zonder haar iets te zeggen, terwijl hij wist dat hij alles was geweest wat ze had. Maandenlang was ze bang geweest dat hij dood was, totdat zijn zus haar verteld had dat hij ergens anders een nieuw liefje had. Eentje die wist hoe ze plezier moest maken, eentje die hem niet probeerde te veranderen en iemand die hij niet was.
      Op dit moment was de haat echter diep verstopt. De pijn die zijn stem kleurde, die zijn gezicht uitstraalde en die hij zelfs leek uit te ademen, raakte haar gewoon. Ze had altijd zijn gevoelens vooropgesteld en zelfs vijftien jaar radiostilte had daar niets aan veranderd.
      Ze keek in zijn betraande ogen, niet in staat om iets te zeggen. Voor het eerst sinds hij haar verlaten had, kon ze weer de aanraking van iemand anders voelen. Ze hield haar adem in toen zijn duim langs haar onderlip streek. Opeens kwam zijn gezicht dichterbij en streken zijn lippen langs die van haar. Zijn linkerhand bewoog zich naar haar nek en verdween in haar haren. De manier waarop zijn vingers door haar haren kamde voelde wanhopig en ze legde haar handen tegen zijn borst en duwde hem van zich af.
      ‘Dat kun je niet doen, Juan,’ zei ze, hoewel haar lippen tintelden. ‘Ik ben nu met iemand anders.’
      Hij stapte naar achteren en knikte zonder haar aan te kijken.
      ‘Ja. Natuurlijk ben je dat. Het spijt me…’ Hij wees naar zijn hoofd en haalde diep adem. ‘Het is… het is gewoon zo’n chaos hier. Ik had hier nooit moeten komen. Sorry. Ik… Ik weet niet wat ik dacht. Ik wilde je gewoon nog één keer zien voor… voor…’ Hij slikte en draaide zijn gezicht van haar weg.
      June zuchtte terwijl ze naar zijn gezicht keek. Er waren donkere kringen onder zijn ogen, zijn kin was ongeschoren en de blik in zijn ogen was… leeg. Wat was er met hem gebeurd? Ze dacht aan al die keren dat zijn moeder had gesnauwd dat hij in de goot zou belanden en ze had het gevoel dat die voorspelling nauwkeuriger was dan June ooit had kunnen denken.
      ‘Ik kan beter weggaan,' mompelde Juan. ‘Sorry.’
      Hij keek over zijn schouder, alsof hij bang was dat iemand hen zou zien.
      ‘Waar ga je naartoe?’ Ze voelde al aan dat hij nergens anders naartoe kon. Zij moest zijn laatste toevlucht zijn, zijn laatste wanhopige poging om hulp te vinden.
      Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik vind wel wat.’
      June schudde haar hoofd. ‘Nee. Denk je dat ik ooit nog in slaap kan vallen nadat ik je zo heb gezien?’
      Ze wenste dat ze hem een slaapplaats kon aanbieden, maar dat zou alleen maar meer problemen opleveren. Het zou hem geen goed doen om te weten met wie ze nu samen was, en op het moment dat Ravi terugkwam van school zou hij Juan herkennen van de foto die op zijn nachtkastje stond.
      Ze wierp een blik op haar horloge. Het zou nog even duren voordat de twee mannen thuiskwamen.
      ‘Kom.’ Ze stak haar hand naar hem uit. ‘Mijn kinderen zijn binnen, ik kan niet te lang wegblijven. Ik ga een plek voor je regelen waar je kan blijven.’ Ze keek naar hem op en wachtte tot hij haar weer schichtig aankeek. ‘Dat beloof ik je.’ Want ze voelde wel aan dat iedereen om wie hij de afgelopen jaren iets gegeven had, zich nu tegen hem had gekeerd.

Reacties (2)

  • AmeranthaGaia

    Ik vind het heel knap dat ze het toch zo goed oppakt.

    5 maanden geleden
  • NicoleStyles

    Wauw wat prachtig beschreven die emotie(H)

    5 maanden geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen