Foto bij H116: Helpen in de chaos ~ Khana

Ik riep Nicks naam nog, maar hij leek versteend te zijn van angst. De golf sloeg op het strand en ik kon me nog omdraaien, om het water dan vlak op mij te zien afkomen. De luchtverplaatsing die de golf vooraf ging, blies mij al omver en ik wachtte op de fatale klap, maar… die kwam niet. Met mijn hart in mijn keel kloppend opende ik mijn ogen en zag het water nog geen 30 centimeter voor mij stil hangen. Het leek nog te stromen, maar het kwam gelukkig niet dichterbij. “Khana, maak Nick eens wakker!” hoorde ik toen iemand roepen en ik keek naast me, om zo’n 100 meter verderop David te zien staan met zijn handen voor zich gestrekt. Het leek alsof hij ergens tegen aan het duwen was, maar… Toen pas besefte ik dat hij waarschijnlijk het water tegen hield en snel stond ik op, om dan wankelend mijn evenwicht te hervinden. Ik draaide me om en liep naar Nick, die nog steeds naar het water stond te staren.

“Nick… Nick!” riep ik maar hij leek nog steeds niet te beseffen dat ik voor hem stond. Dan maar grote maatregelen… Ik pakte zijn schouders vast en schudde hem stevig door elkaar, terwijl ik zei: “Nick, ik weet niet wat David aan het doen is, maar ik denk toch echt dat je hem moet helpen!” Hij leek eindelijk terug bij bewustzijn te komen en ik liet hem los, waarna hij me verward aankeek. “David? Wat…”, vroeg hij, maar keek toen achter mij en hij fronste. “Nick, muur!” riep David en ik fronste. Muur? Wat bedoelde hij daarmee? Nick leek het echter te begrijpen en liep al naar David, maar hij draaide zich nog even om. “Vind Miyuki, ik weet niet waar ze heen gelopen is”, zei hij en ik knikte, waarna ik begon te lopen. Ik begreep nog altijd niet goed wat David en Nick gingen doen, maar ik besloot hen maar te vertrouwen.

“Arigato, arigato”, zei de vrouw en ik knikte even, om dan verder te lopen. Ik hielp een andere man met opstaan en gaf hem zijn rugzak aan. “Bedankt”, zei hij met een pijnlijk gezicht en ik knikte weer. Het was hier één en al chaos: mensen lagen omver gelopen op straat en hier en daar waren auto’s gebotst. Ik kon Miyuki nergens buiten vinden, dus ik hoopte dat ze veilig in het hotel zat. Opeens voelde ik hoe iemand zich aan mijn arm vastklemde en smekend zei: “Alstublieft, mijn kind… ik kan mijn kind nergens vinden…” “Ik help wel met zoeken”, zei ik en ze knikte dankbaar. “Ze heet Mary, ze heeft blond haar”, zei ze en ik knikte. Ik klom op een bestelwagen die tegen een lantarenpaal was gereden en keek rond. Ondertussen liep de vrouw al verder en ik kon het niet laten om even naar de zee te kijken.

Het water was langzaamaan aan het zakken en toen zag ik opeens iemand in de duinen zitten. Ze had blond haar en leek nog een kind, dus ik sprong van de bestelwagen en liep naar de duinen terwijl ik riep: “Mary! Ben jij dat?” Ik was halverwege de duin toen ik merkte dat ze met grote ogen voor zich uit keek. “Mary?” vroeg ik toen ik bij haar was en ze keek me geschrokken aan. Daarna verscheen er een glimlach op haar gezicht en wees ze naar voor. “Kijk, ik wist wel dat kitsunes bestonden!” Ze klapte in haar handen en ik zag hoe Nick en David met elkaar praatten in hun halve kitsune gedaantes. Oh nee… “Mary, waar ben je?” hoorde ik haar moeder roepen en meteen trok ik het meisje weg. “Hé, laat me los!” riep ze boos, maar ik trok haar mee naar beneden en zag haar moeder aan komen lopen.

“Oh Mary”, zei haar moeder opgelucht en trok haar in een knuffel. “Mama, ik heb kitsunes gezien!” zei ze vrolijk en haar moeder keek haar met opgetrokken wenkbrauwen aan. “Ik vrees dat ze haar hoofd heeft gestoten”, zei ik voorzichtig en Mary keek me boos aan. Haar moeder geloofde mij gelukkig en zei bezorgd: “We gaan wel naar het ziekenhuis voor een check-up, je weet immers dat zo’n soort wezens niet bestaan… Bedankt om haar te helpen vinden.” Ik glimlachte even en zei: “Geen dank, ik ben blij dat ze terecht is.” Mary en haar moeder draaiden zich om en liepen weg, maar ik hoorde Mary nog volhouden dat het echt waar was. Het deed me ergens pijn om het ongeloof van andere mensen te voeden, terwijl het eigenlijk waar was. Het meisje had gelijk, maar ik wist dat ze nooit geloofd zou worden. Dat is nu eenmaal het lot van mensen zoals zij en ik: wij worden afgeschreven als fantasten.

“Khana!” hoorde ik iemand roepen en voor ik het wist, werd ik gewurgd door iemand die iets kleiner was dan mij. “Mi… yu… ki…”, zei ik met veel moeite en ze liet me los. Ze had tranen in haar ogen en keek me opgelucht en onderzoekend aan. “Jij in orde zijn? Tsunami weg zijn!” zei ze bezorgd en verward. Dat was waar, hoe moesten we nu verklaren waar die tsunami heen was?

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen