Ze waren gekomen toen de zon hoog aan de hemel stond en toch waren ze zo stil als dieven in de nacht. Ik had het kraken van de trap niet gehoord, de overloop evenmin. Pas toen moeder hen vroeg wat ze in godsnaam in haar huis deden, wist ik dat we ongewenste bezoekers hadden.
Ze waren met velen. Toen ze eenmaal in de huiskamer waren, probeerden ze niet langer om zich stil te houden. Ik trok mijn benen omhoog, maakte me klein en luisterde. Ik telde hun voetstappen op de houten vloer. Ze waren zeker met acht en allemaal waren ze hardhandig.
Ik schrok toen een van hen me bij mijn bovenarm vastnam. Meteen sloeg ik met mijn vrije hand in zijn richting, maar raakte enkel lucht. In één simpele beweging nam de man mijn beiden polsen vast en sleurde me mee. Aan moeders geroep hoorde ik dat ze bij haar hetzelfde deden. De angst die in haar stem weerklonk, voelde ik ook door mijn lichaam gieren. Mijn hart ging als een razende tekeer en het zweet brak me uit. Godverdomme, wat was er aan de hand?!
Terwijl ze ons mee naar buiten namen, hoorde ik het huis. Ik hoorde hoe het leed. Ik probeerde om mijn oren af te schermen; de geluiden waren te luid, hun stemmen te hard. Ze riepen en maakten dingen kapot. Ik hoorde hoe de tafel van de zitkamer omver werd getrapt, hoorde het rinkelen van glas. Maar niets, niets ging zo door merg en been als het geluid van mijn piano. Ik hoorde een zwaar voorwerp neerkomen op het hout, hoorde hoe het verbrijzeld werd. Een paar laatste noten klonken door de ruimte, als hun zwanenzwang, en ik wist dat ik er nooit meer op kon spelen. Ik had hen gevraagd - nee, gesmeekt - om alsjeblieft te stoppen met waar ze mee bezig waren. Geen van de mannen gaf me antwoord. Ik was niet eens zeker of ze me gehoord hadden. Het geluid van mijn brekende piano overstemde alles.
‘Waarom doen jullie dit?!’ vroeg ik aan de man die me wegtrok, weg van de harde geluiden. Ik had geen idee waar zijn gezicht was of hoe hij eruit zag, maar ik voelde zijn koude hand op mijn huid. Ik wist dat hij me kon horen, wist dat hij me kon zien, in tegenstelling tot mezelf.
‘Jullie zijn ratten,’ bromde de man. ‘Ratten moeten boeten.’
Ik vroeg hem daarna niets meer. Ik zei niets meer. Ik vocht niet meer. Wat kon een blind meisje doen, tegen minstens acht barbaren? Maar ik vertikte het om te huilen. Ik liet ze niet zien hoe ze me kwetsten door mijn thuis en geliefde instrument van me af te nemen. In plaats daarvan maakte ik van mijn gezicht een masker en luisterde goed, naar de geluiden rond me heen.
Ze gooiden me in een koets en moeder volgde niet veel later. Ze zat naast me te snikken, maar ook dat geluid sloot ik buiten. In plaats daarvan luisterde ik naar de stemmen, probeerde ze te herkennen. Ik luisterde naar de stenen onder de koets en probeerde te volgen waar ze ons naar toe brachten. Maar de rit bleef maar duren en ik voelde hoe mijn aandacht verslapte. Ik had geen idee waar we waren toen ze ons geboden om de koets weer uit te stappen. Ik hoorde een metalen klik toen ze iets wat ik niet anders kon bedenken als handboeien vast maakten aan de handen van mijn moeder. Bij mij namen ze niet eens de moeite.
Ze brachten mijn moeder en mij naar een ruimte die erg muf rook. Er werd weer aan mijn bovenarm getrokken, een trap af die ik op het nippertje voelde onder mijn voeten. Daarna werden we een koude, harde ruimte in gegooid. Ik hoorde een klikkend slot en het geluid van staal op staal. Daarna verdwenen de geluiden van de mannen en bleef slechts het gehuil van mijn moeder over. Tussen haar snikken door fluisterde ze naar me, dat Le nouveaux aude ons dan toch te pakken had gekregen. Ze vroeg zich hardop af wie ons verraden had en wat er met de revolutionisten achter het luik en de bedienden gebeurd was. Ze ging het lijstje af van mensen die van het bestaan van het luik af wisten. Nathan zat daar niet bij. Ik had haar nooit verteld dat ik hem het luik had laten zien en de revolutionisten eronder. De bedienden hadden erover gezwegen, precies zoals ik ze gevraagd had.
Maar Nathan hoorde niet in het lijstje, want Nathan was geen verdachte. Hij zou ons nooit verraden hebben.
...Toch?
Ik beet op mijn lip. Nathan had gelogen over zijn naam en ondanks dat hij me zo openlijk over zijn ouders had verteld, had ik altijd het gevoel dat er iets hem tegenhield. Zou hij...
Ik schudde mijn hoofd. Nee. Nathan zou zoiets niet doen. Hij had het me nooit letterlijk gezegd, maar hij hield van me, dat kon ik voelen. En ik van hem.
Ik zuchtte en verborg mijn hoofd in mijn handen. Ik probeerde me voor te stellen dat hij naast me zat en me troostte. Ik zou mijn hoofd tegen zijn schouder leggen en hij zou de piekerende gedachten uit mijn hoofd verjagen. Hij zou me toe fluisteren dat het allemaal goed zou komen, zou me zeggen hoeveel ik voor hem betekende.
Maar in plaats van een warme schouder, stootte ik met mijn hoofd tegen de stenen muur. Misschien was het die teleurstelling, misschien was het de angst die eindelijk de bovenhand kreeg. Maar voor het eerst die dag, sloop er een traan langs mijn wang naar beneden.


Reacties (2)

  • NicoleStyles

    Oh die eerste zin gaf me echt kippenvel, zoo heerlijk geschreven dit(Y)
    En idd, echt alleen maar respect voor Aurore dat ze niet huilt!

    Zij en Nathan, komen toch weer samen, toch..?;)

    4 maanden geleden
  • AmeranthaGaia

    Ik vroeg hem daarna niets meer. Ik zei niets meer. Ik vocht niet meer. Wat kon een blind meisje doen, tegen minstens acht barbaren? Maar ik vertikte het om te huilen.

    Ik heb oprecht zo veel respect voor Aurore. Haar hele leven stort om haar heen in en ze kan niet eens zien wat er gebeurt. Ze kan alleen maar alles horen breken. Ze vecht misschien niet echt, maar toch vecht ze op haar eigen manier en dat moet echt ongelooflijk moeilijk zijn en ik vind haar oprecht geweldig en als je haar iets aandoet, zal ik echt totaal flippen.

    4 maanden geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen