Het was verstikkend. Het was alsof iemand zijn longen in zijn handen hield en kneep. Harder en harder. Hij zat vast! De auto schokte en draaide. Glas vloog rond. Uiteindelijk de klap. Stilstand. De auto had hem willen omhelzen met haar ijzeren frame. Ze had haar best gedaan hem op te vangen, vast te houden en veilig te houden. Maar ze had te hard haar best gedaan. Ze hield hem te stevig vast en niet stevig genoeg. Ze had hem bij de eindklap los moeten laten, hem moeten overdragen aan de veilige wortels van de dikke eik. Die zouden hem veilig houden. Maar te stevig, veel te stevig. De regen had hem doorweekt. Misschien had de auto wel gehuild om hem.
      Te stevig, te stevig, te stevig. Hij zat vast! Hij kon niet bewegen! De wortels krulden zich om hem heen, hielden hem tegen de grond. Geen beweging, geen lucht.
      Helphelphelp.
      Hij worstelde, maar kwam niet los. Alles zat alleen maar steviger vast. Geen lucht! Hij zou hier stikken. Hij moest los. Hijmoestloshijmoestlos. Hij. Moest Los.
      Toen hij opkeek, zag hij een silhouet. Haar silhouet. Hij glimlachte licht. Ze was hier, bij hem. Hij was veilig. De wortels hadden hem vast en hij kreeg geen lucht, maar was dat echt erg? Ze was hier.
      Hij keek naar haar bruine ogen. Wacht, bruin? Nee, haar ogen waren blauw! En haar haren niet zo zwart. Zij was het niet. Het was een vreemde man die boven hem hing, die zijn mond bewoog zonder geluid te maken.
      Milo's ademhaling ging veel te snel, maar lucht kwam er niet binnen. Het was geen boom. Geen auto en geen regen. Zij was er niet. Het waren lakens die zich om hem heen gewikkeld hadden, zijn mond bedekten. Het was een vreemde die tegen hem probeerde te praten en hem nu bij de schouders vasthield. Hij had niet geworsteld tegen de wortels, maar tegen zijn handen.
      Vruchteloos schudde Milo zijn hoofd. Nee. Nee, nee, nee. Hij begreep er geen woord van. Wat wilde de man van hem? Wat deed hij hier? Zijn hart ging zo snel, zijn ademhaling was hyperventileren te noemen. Alles in hem schreeuwde dat het niet goed was.
      De man liet hem langzaam los. Hij kreeg geen lucht! Niks! Zijn ogen dwaalden alle kanten op tot de hand van de man voor zijn gezicht heen en weer zwaaide. Hij stak zijn handen omhoog en begon erop te tellen. Een. Twee. Drie. Vier. De man gebaarde dat hij moest wachten. Het ontging Milo volledig dat de man gebaarde.
      "En uit." Een. Twee. Drie. Vier. Vijf. Zes. Zeven. Acht.
      Dit herhaalde zich nog een paar keer. Het hield daadwerkelijk. Langzaam werd Milo's ademhaling rustiger. Zijn ogen bleven geplakt op de handen van de vreemde, op zijn borstkas die synchroon met Milo en het tellen op en neer ging. Zijn hartslag vertraagde, hij kreeg daadwerkelijk lucht in zijn longen.
      Pas nu begon de man hem te bevrijden uit de lakens die drijfnat van het zweet waren. Misschien was het toch geen regen geweest.
      "Ben je oké?" gebaarde de man. Milo ademde beverig uit. Hij snapte de man. De man gebaarde. Was hij oké? Verre van. Hij was in de auto geweest, net zoals toen. Hij had alles weer opnieuw beleefd. De angst, de pijn, de verwarring. De knuffel van de auto en de boomtakken toen hij uit de auto geslingerd was. Maar zij was er ook geweest en dat was goed.
      Uiteindelijk antwoordde hij door zijn schouders op te halen. Ik weet het niet. Maar de gebaren daarvoor kende hij niet.
      In plaats van hem met rust te laten, greep de man het mini whiteboard en schreef daar iets op voor hij het bord naar Milo draaide om te lezen. 'Geschrokken'. 'Moe'. 'In orde'. De man wees de woorden aan en gebaarde. Milo probeerde ze na te doen. De man corrigeerde zijn vingers voorzichtig.
      "Ben je oké?" gebaarde hij nogmaals.
      Ditmaal koos Milo voor "moe". Het was waar. Hij was moe. Moe van dit ziekenhuis, van de dromen, de paniek. Moe van hier zijn en ergens anders willen zijn. Moe van de lessen en zijn stomme oren. Gewoon moe.
      De man knikte. Hij keek Milo niet vol medelijden aan, zoals de verpleegsters, of vol ongeduld, zoals dokter Tönner. Hij keek gewoon alsof hij een ander mens zag, die toevallig in het verband zat. Hij zei niet dat Milo moest proberen te slapen, of dat hij geen nachtmerrie meer zou hebben. Hij trok simpelweg de stoel naast Milo's bed naar hem toe en ging zitten.
      Waarom? Milo had geen idee. Hij kende de man niet, maar aan zijn kleding te oordelen was hij hier geen verpleger. Wat hij hier deed, was dan ook een groot raadsel. En toch voelde Milo zich minder alleen, terwijl hij en de man daar in stilte waren.
      Pas toen Milo diep in slaap was, verliet de man de zaal. Het was vier uur 's nachts.

Reacties (2)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen