Milo was de ochtend erna niet bepaald uitgerust. Er was geen enkel teken van wat er die nacht gebeurd was, afgezien het bord met de woorden die de man erop geschreven had. 'In orde' stond omcirkeld. Hij was in orde. Hij was in orde. Hij was in orde.
      Hij was allesbehalve.
      De verpleging kwam het ontbijt brengen, dat hij in eenzaamheid mocht opeten. Hoewel zijn telefoon de crash op wonderbaarlijke wijze overleefd had, maakte dat niet uit. Berichten kwamen er toch niet. Ja, die eerste dagen toen hij in coma had gelegen hadden klasgenoten hem een berichtje gestuurd. 'Beterschap'. 'We denken aan je'. Jacks nummer was geen enkele keer tevoorschijn gekomen. Toen was het stil geworden. Niemand probeerde zelfs maar een gesprek met hem aan te knopen. Wat voor nut had een telefoon dan?
      De fysiotherapeut kwam met hem oefenen. Ondanks dat zijn been nog in het gips zat, en zijn ribben nog stevig in het verband, was er bepaald dat het herstel voorspoedig genoeg liep om met hem te gaan wandelen. Met krukken uiteraard. 'Voor een jongeman als jij is frisse lucht heel gezond' of iets wat daarop leek.
      Hij maakte onder begeleiding een paar rondjes op de gang - waarbij iedereen die langs was gekomen uiteraard gekeken had naar die jongen die daar rondzwalkte alsof hij teveel gedronken had of het evenwichtsgevoel van een wannabe ei van Columbus had. Wannabe, want overeind blijven was nog een hele klus. Toen vond de fysiotherapeut dat hij het wel onder de knie had - Milo betwijfelde het - en dat hij in zijn eentje verder zou kunnen - ook dat betwijfelde Milo. Zou hij de eerste idioot worden die het voor elkaar zou krijgen onderuit te gaan en daarbij zijn andere been ook te breken?
      Hij werd alleen gelaten met de opdracht nog minstens een kwartier te blijven wandelen. Het klonk verrassend veel als de rest van zijn dagen nu. Alleen lopen. Was dat niet wat hij dag in, dag uit deed? Altijd maar verder lopen in het leven. Altijd alleen.
      Ergens overwoog hij om terug naar zijn kamer te gaan en het kwartier niet af te maken. Gaf iemand er echt om als hij het niet zou doen? Maar tegelijkertijd verveelde zijn kamer hem. Het was wit en kil, met een paar scheuren in het plafond. Jack had altijd gezegd dat je van scheuren draken kon tekenen op de muur, die over je zouden waken. Hoewel Milo niet te veel wilde denken aan de vriend die niet gekomen was, had hij wel zijn draken getekend. In zijn hoofd zat het plafond vol met draken, met lange vleugels, korte vleugels, vuurspuwend of niet. Hij betwijfelde of het mogelijk zou zijn om nog meer draken te vinden. En zouden Jacks draken nog echt over Milo waken? Hem beschermen was ook niet gebeurd.
      Heel langzaam hobbelde hij verder. Maak geen oogcontact. Kijk niet naar de mensen om je heen. Vermijd elke vorm van contact.
      Het was een goede tactiek om niet te worden aangesproken, niet op te vallen. Iedereen liet hem alleen, of misschien probeerden ze hem wel een vraag te stellen, maar horen deed hij het toch niet. Het was een minder goede tactiek om zelf iets mee te krijgen van de omgeving. Het was iets waar Milo maar al te snel achter kwam, toen hij langs een open deur liep waar net iemand uit kwam lopen. Ware het niet dat de ander nog net zijn pas in kon houden, zouden ze vol op elkaar gebotst zijn.
      Het was dezelfde man als de avond ervoor. Hij bestond dus echt, hij bestond uit vlees en bloed en was een ademend mens. Dat was iets waar Milo toch over getwijfeld had. De avond was wazig in zijn geheugen, en welke vreemde ging er nou naast een willekeurig bed zitten? Het moest haast wel een droom geweest zijn.
      Maar zijn aandacht ging niet naar het bestaan van de man, de zwarte undercut of de ogen waarin enige vorm van herkenning stond. Het was meteen getrokken door de gitaar die op zijn rug hing.
      Zijn keel verstrakte en het was alsof ademen iets moeilijker werd. De gitaar leek in verste verte niet op die van Milo, maar het was wel een gitaar. Dat instrument dat Milo nooit meer aan zou raken.
      De man glimlachte, vroeg hem iets wat Milo volledig was ontgaan terwijl hij naar de gitaar aan het staren was. Hoe graag zou hij die nu in handen houden, de akkoorden aanslaan, gewoon zich verliezen in de muziek.
      Zijn handpalmen zweetten, waren verraders van de storm vanbinnen. Nee, er was geen storm. Absoluut niet. Het deed hem niks, die man met die verdomde gitaar. Hij trilde niet, voelde zich niet alsof zijn longen elke ademhaling minder lucht binnen kregen en zijn hartslag was niet ineens opgelopen. Nee. Hij was in orde.
      Hij was fucking in orde.

Reacties (1)

  • Murcus

    Ahhh het is zo interessant om in Milo’s gedachten te kunnen kijken.

    6 dagen geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen