Foto bij Hoofdstuk 113

hier bij geef ik aan dat dit verhaal waarschijnlijk nog z'n zes hoofdstukjes heeft.
Ik hoop dat jullie nog iets van jullie zelf laten horen.

Ik vind het fijn hier bij de jongens. Ik weet dat ik hier niet voor altijd kan blijven. Hier buiten dit huisje is een vreselijke oorlog gaande waar ik in mee moet vechten. Het is mijn plicht als Schouwer, lid van de orde en vriendin om mee te helpen. Ik moet mensen beschermen en dat zal ik ook zeker doen
‘Het word tijd dat ik me weer laat zien aan de buitenwereld.’ Zeg ik tegen Charlie waarop de jongen knikt
‘En ik ga met je mee. Ik laat jou en mijn familie niet in de steek.’ Zegt de jongen waarop ik zwak glimlach en knik. Ik kijk naar Wessel en Dillen en vlieg de twee jongens om de nek.
‘Jullie zijn geweldig.’ Zeg ik zachtjes en druk bij beide vlug een kus op hun wang. ‘Ik hoop jullie snel weer te zien.’ zeg ik tegen ze en pak Charlie zijn hand vast. De jongen knijpt in mijn hand en dan verdwijnen we in een duister draaikolk. De draaikolk en de duisternis verdwijnt en we staan midden in de woonkamer van het nest. Meteen horen we meerder voetstappen onze kant op komen. Molly verschijnt als eerste in de woonkamer en Arthur volgt snel.
‘Ow meisje toch. We dachten dat je dood was!’ Roept de vrouw en trekt me snel in een omhelzing. Ik glimlach en schut mijn hoofd.
‘Zo snel komen ze niet van me af.’ zeg ik en duw Molly iets van me af. ‘Ik ga nu naar Zweinstein.’ Zeg ik en stap van de familie af. ‘Ik moet nog wat dingen regelen.’ Zeg ik en laat mezelf in een draaikolk verdwijnen. IK land met beide voeten op de stene grond van Zweinsveld en meteen gaat er een vreselijk alarm af. Shit! Zo snel als ik ken ren ik van de plek af en ren een steegje in. Ik merk al snel dat het dood loopt en zacht grom ik. Waarom kun je niet gewoon makkelijk het kasteel in komen? Ik word aan mijn arm vastgegrepen en een huisje in getrokken. Verbaast kijk ik de persoon aan en herken hem. Hij lijkt op Albus maar dat is hij niet.
‘Desidirius?’ vraag ik de man waarop hij zwak en verbaast knikt. Ik geef de man een knuffel en begin zacht te lachen. ‘Roxanne Perkamentus-Vilijn.’ Stel ik mezelf aan de man voor. De man glimlacht en legt zijn grote hand op mijn schouder.
‘Je lijkt op je moeder.’ Zegt hij zachtjes. ‘Vooral je ogen. Je ogen zijn net zo intens groen als die van je haar.’ Zegt de man waardoor ik begin te lachen en knik.
‘Dat heb ik weleens vaker gehoord.’ Zeg ik zachtjes waarop hij knikt.
‘Je wilt het kasteel in komen?’ vraagt de man me het onderwerp veranderend. Ik knik en de man wijst naar een portret aan de muur. ‘Volg de gang en je zal snel het kasteel bereiken. Wees stil de meeste leerlingen zullen liggen te slapen.’ Verteld de man me waarop ik knik en het portret gat in klim.
‘Bedankt.’ Zeg ik en ren de koude duister gang in. Zo hard als ik kan ren ik de kille gang door en uiteindelijk kom ik bij een muur aan. zachtjes druk ik met mijn hand er tegen aan en de muur klapt open. Ik loop vlug de gang uit en zie dat ik een kamer sta. Heel de kamer zit vol met slapende leerling. Zo stil als ik kan vlucht ik de kamer uit de gang op. Het eerste wat ik nu moet doen is Draco vinden en hem om een gunst vragen. Ik heb de afgelopen week veel kunnen na denken over alles en ik heb verschillende dingen ontdekt over de gruzelementen. Ik verander mezelf in een meisje met de kenmerken van mijn vader. Zwart haar, blauwgrijze ogen. Ik pak mijn stok en verander mijn kleren vlug in een Zwadderich gewaad. Zo hard als ik kan ren ik de gangen van de school door en kom uiteindelijk bij de leerlingenkamer van Zwadderich. Ik volg een groepje eerstejaars naar binnen. Ik kijk zoekend om me heen en ik zie vier bekende gezichten op de bank zitten. Benno Zabini, Patty Park, Karel Kwast en Vincent Korzel, maar Draco zit er niet tussen. Ik weet zeker dat hij hier op school is, maar waar weet ik niet. Ik ga bij een van de ramen zitten en kijk om me heen. Na een tijdje stil voor me uit te hebben gestaard merk ik dat er iemand op me af komt lopen. Verbaast kijk ik op en zie ik Draco. De jongen bekijkt me verbaast en zwak glimlach ik naar de jongen en spring op. Ik loop op de jongen af en ga glimlachend voor hem staan. Ik zie kleine Ice op zijn schouder en ik glimlach naar het beestje.
‘Ice.’ Fluister ik zachtjes en loop de twee voorbij. voetstappen van de jongen hoor ik me volgen en glimlach. Ik moet ze privé spreken en dat kan maar op een plaats, Mijn kamer.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen