Het heden

Het alarm sneed door haar oren. Phobos kromp erdoor in elkaar, ze kon zich niet herinneren ooit eerder zo’n snerpend geluid te hebben gehoord. Niet dat dat veel zei. Er waren zoveel dingen die ze zich niet herinnerde. Haar leeftijd, haar jeugd, hoe het leven buiten deze onderzoeksfaciliteit was. Daar was leven, dat wist ze wel. Dat was immers de reden dat ze trainden, dag in dag uit. Ze voerde opdrachten uit om haar mentale gaven te oefenen, zorgde ervoor dat er niets op haar uithoudingsvermogen en concentratie aan te merken was en vergrootte haar kennis over alle vechtsporten die hier onderwezen werden. Ze werd hier omgevormd tot een supersoldaat, die indruk kreeg ze vaak. Maar hoe ze hier terecht was gekomen en wie ze in die tijd daarvoor was geweest, dat wist ze niet. Dat wisten ze geen van allen.
      Phobos keek de kamer nog eens door, meer werktuigelijk dan dat ze echt bang was dingen te vergeten. Bezittingen had ze toch niet. Toen ze voetstappen op de gang hoorde, draaide ze zich om en verliet de kamer die zo lang als zowel een gevangenis als een veilige haven had gevoeld.
      ‘Ben je klaar?’ vroeg Erebus. Zijn blik – die alleen warm was als hij naar haar keek – gleed over haar gezicht.
      Ze knikte, een klein beetje nerveus.
      Ze gingen dit echt doen. Nu was er geen weg meer terug.
      De vorige keer was het vreselijk misgelopen en als ze hier nu in faalden, was de kans groot dat ze opnieuw haar herinneringen zou verliezen. Of erger. Maar Erebus vertrouwde ze, net als haar twee vriendinnen.
      Maar Morpheus vertrouwde je de vorige keer ook, klonk een venijnig stemmetje in haar hoofd. Ze duwde de gedachte weg. Dit was het niet het moment om daarbij stil te staan. Ze had haar concentratie nodig. Ze knikte Erebus toe terwijl ze door de lange gang beenden. Psamathe was haar een paar stappen vooruit. Voor de cel van Athena bleef ze stilstaan. Ze richtte haar hand op de deur. Zand stroomde uit haar vingers vandaan, recht het sleutelgat in waar het zich tot een sleutel vormde. Met een klik ging de deur open.
      Athena stond al klaar. De zwartharige glimlachte zelden, maar voor deze nacht maakte ze een uitzondering. Met zijn vieren renden ze verder, op naar waar Erebus had gezegd dat de uitgang van het complex was. Na een tiental passen doken de eerste bewakers op. Psamathe liet zandtornado’s uit haar handen schieten die de mannen en vrouwen verblindden. Natuurlijk waren ze van allerlei high-tech snufjes voorzien, maar het hield hen in elk geval een paar tellen bezig. Voldoende om Athena langs haar tatoeages te laten strijken. De slang en panter die op haar schouder waren afgebeeld kwamen tot leven en schoten brullend en sissend op hun belagers af.
      Phobos rende hen voorbij, met Erebus in haar kielzog. Zoals Athena en Psamathe een eenheid vormden tijdens het vechten, deden Phobos en Erebus dat ook. Phobos legde haar hand op de schouder van een van de bewakers, tuurde een ogenblik in de lichte irissen van haar tegenstander en sloot daarna haar ogen. Direct voelde ze de kracht haar lijf binnenstromen. Een beeld openbaarde zich aan haar, likkende vlammen overal om hen heen, een dak dat brullend kraakte en een dikke rook die haar luchtwegen in kroop en haar dreigde te verstikken.
      Phobos liet het beeld los. Het verdween alleen voor haar ogen, haar tegenstander verkeerde in de illusie dat hij zich momenteel echt in een brandend huis bevond; zijn grootste angst. Phobos liet zijn schouders los. De schaduw van haar partner schoot voorbij, bijna onzichtbaar, terwijl hij iedereen met een gerichte klap in ademnood bracht die te dicht bij haar in de buurt kwam en haar concentratie dreigde te bereiken.
      Met zijn vieren vochten ze zich een weg naar de uitgang toe.
      Phobos kon de vrijheid al bijna ruiken.
      En toen passeerde ze de laatste cel. Daar stond hij, recht voor de glazen deur, met een kille blik het spektakel in zich opnemend. Phobos voelde haar bloed borrelen zodra ze hem zag. Ze weerstond de drang om haar middelvinger naar hem op te steken en beende verder. Na een paar stappen ontdekte ze echter dat haar twee vriendinnen wel waren blijven staan.
      ‘Phobos…’ klonk het aarzelend uit Psamathe’s mond.
      ‘Nee,’ beet Phobos haar toe.
      ‘Maar we hebben hem nodig…’
      ‘Nee!’ herhaalde ze, snauwend. ‘We redden ons prima zonder hem.’
      Ze voelde zijn koele blik op haar branden. Oh, hoe vaak had ze niet in die ogen gekeken. Eens verlangend, daarna walgend. Vol liefde en vol haat.
      ‘Norah…’ klonk zijn stem. ‘Ik kan je je herinneringen teruggeven.’
      Phobos verstarde bij het horen van die naam.
      Is dat wie ik echt ben? Ze schudde haar hoofd. Ze was niet zo dom dat ze daarin trapte. Hij speelde spelletjes met haar, zoals hij dat altijd had gedaan.
      Met een grimas beende ze verder, zich klaarmakend voor de volgende groep bewakers. ‘Hij blijft hier!’ riep ze over haar schouder. ‘Laat hem maar wegrotten.’
      ‘En de anderen?’ vroeg Psamathe. ‘Kan ik hen laten gaan?’
      Phobos wisselde een blik met Erebus en knikte toen. Voor een laatst keer gleed haar aandacht naar Morpheus. Vanuit de grond van haar hart hoopte ze dat ze zijn knappe, maar verraderlijke gezicht nooit meer zou zien. Daarna vlochten haar vingers door die van Erebus en trok hij haar de schaduw van de op hen af rennende mannen in, zodat ze beiden het duister in verdwenen en ze zich niet langer lijfelijk in dezelfde kamer bevonden.


Reacties (2)

  • Vasya

    Ah, de namen zijn zo leuk. Ik ben echt benieuwd, dit groepje kan vast heel wat onrust veroorzaken, hehe.

    4 maanden geleden
  • e_nnazus

    Oeeeeh spannend! Ik ben benieuwd hoe het verder gaat!

    4 maanden geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen