Intussen was het al een week geleden. Een week vol ellende als je het mij vroeg. Het was al moeilijk genoeg en mijn ouders besloten er nog eens een schepje bovenop te doen door het me iedere dag opnieuw in te wrijven. Ze lieten me naar de dokter gaan omdat mijn vader zeker wilde weten of er niets anders aan de hand was, vervolgens kwam het hele zaakje van de kerk nog eens op bezoek om me te vertellen wat me te wachten stond de komende weken, daarna lieten ze me mijn excuses aanbieden aan Grace en of dat allemaal nog niet erg genoeg was werd me ook vriendelijk verzocht of ik voor de kerk uit de kast wilde komen en "model" wilde zitten voor een inlichtingsavond voor het kamp.
Ik had me nog nooit zo leeg gevoeld en het leek of heel mijn persoonlijkheid was weggevaagd. Overal waar ik ging was ik niet langer de zoon meer van prediker Knowles of een doodgewone negentienjarige, nu werd ik overal waar ik ging gezien als enkel mijn seksualiteit.
Aan de ene kant wenste ik dat ik het nooit verteld had maar aan de andere kant was ik er blij om. Ik was er blij om dat ik me niet langer meer hoefde te verstoppen, blij dat er wat aan het probleem gedaan ging worden.
Ik wist dat mijn gedachten fout waren en ik wilde er wat aan doen maar diep vanbinnen was er nog steeds een deel wat er aan twijfelde of ik er wel goed aan deed.

Het was een week geleden en ik zat nog steeds vast in mijn kamer. Misschien moest ik het hele gebeuren me niet zo laten nekken en me gewoon gedragen of er niets gebeurd was. Al was het daar misschien al te laat voor. Ik wist niet of ik hier überhaupt óóit nog normaal over straat zou kunnen gaan. Ik had al een reputatie achter me aan aangezien ik de zoon van was, maar nu was ik al helemaal het gesprek van de dag. De zoon van een prediker die ook nog eens homo was. Dat kon écht niet.
Precies hierom was ik blij dat ik eindelijk naar college mocht. Het was ver weg van huis, ver weg van alles dat ik kende en ik was er blij om. Het was ver weg van de vooroordelen, ver weg van de verwijten en ver weg van de oude Jude.
Waar iedereen hier het liefst met een boog om me heen liep leek ik daar wél iets waard. Ik had vrienden, vrienden die ik nu al twee weken niet meer gesproken had. En juist nu ik die steun het best kon gebruiken was mijn telefoon afgenomen. Alsof het nu nog wat uitmaakte of ik op shirt loze afbeeldingen van de jonge Leonardo Di Caprio zocht of niet.
Ik had mezelf met enige tegenzin uit mijn bed weten te krijgen en stond nu oog in oog met mezelf in de spiegel. Het meest confronterende dat er was.
Echter leek het of er iemand anders leek te staan. Mijn rossige haren die normaal perfect in model zaten stonden nu alle kanten op. Mijn groene ogen waar zich normaal een ondeugende twinkeling in bevond stonden nu dim en er leek zich enkel verdriet in schuil te houden. Ik was nooit fan geweest van mijn glimlach welke mijn schots en scheve tanden toonde, die zelfs na zeven jaar een beugel niet verholpen waren maar zelfs die miste ik. Ik miste mezelf, althans, het beeld dat ik van mezelf had. Ik wist namelijk niet of ik überhaupt ooit wel honderd procent mezelf was geweest. Ik leek niets meer echt te weten en eerlijk gezegd beanstigde het me een beetje.
Ik had geen idee hoe lang ik de persoon in de spiegel had staan aanstaren maar het was lang genoeg voor mijn moeder om te realiseren dat ik nog niet beneden was.
"Jude, kom op, zo komen we nog te laat." riep ze. Ik sloot mijn ogen en zuchtte diep. Hier gaan we dan.
Ik fatsoeneerde mezelf nog enigzins en vertrok vervolgens naar beneden.
Mijn moeder drukte een boterhamzakje met een aantal broodjes er in -in mijn handen en bracht vervolgens de laatste tassen naar de auto, mij alleen achterlatend met mijn vader.

Ik probeerde zijn blik te ontwijken maar mijn ogen leken onbewust die van hem op te zoeken. Zoekend naar acceptatie, misschien zelfs een beetje trots maar het enige wat er in te zien was -was teleurstelling. Ik slikte even en bewoog wat ongemakkelijk heen en weer, niet wetend wat te doen. Ik wilde hem dolgraag in zijn armen vliegen, alles er een laatste keer uitgooien. Maar ik wist niet of dat verstandig was. Toch leken mijn gevoelens het over te nemen en omhelsde ik hem. Ik en mijn vader hadden misschien niet de beste relatie ooit, zeker op het moment was het niet alles maar ik hield van hem.
Hij sloot zijn armen om ook om mij heen maar het voelde anders, afstandelijker. Toen mijn moeder weer binnenkwam liet ik weer los. Ik keek hem nog een laatste keer aan en vertrok vervolgens naar de auto. Mijn ouders hielden nog een laatste conversatie alvorens mijn moeder ook instapte en begon met rijden.
Het was duidelijk te zien en te merken dat ze het er moeilijk mee had en ik had medelijden met haar. Het was niet haar fout maar ze zat wel met de gevolgen. "Niet piekeren." glimlachte ze naar me. Ik keek op en stopte met het bijten op mijn lip. Het was een dingetje dat ik deed als ik te ver afdwaalde in gedachten en mijn moeder wist het maar al te goed. Ergens wilde ik er boos om worden, probeerde jij maar eens niet te piekeren als je af werd gezonden naar een of ander kamp. Maar ik kon het haar niet kwalijk nemen. De enige die ik de schuld kon geven was ik zelf.
"Jude, het komt heus wel goed. Heb vertrouwen." zei ze en nam mijn hand in de hare. Ze had goede bedoelingen maar het liet me per definitie niet per se beter voelen. Ik zou het op deze manier straks alleen maar moeilijker hebben met afscheid nemen. Ik zou haar de hele zomer niet zien en dat vond ik misschien nog wel een van de moeilijkst van dit alles.

Reacties (1)

  • Altschmerz

    Ik heb zooo’n medelijden met Jude, hij is echt een marshmallow.

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen