Foto bij H46

Haar witte vacht schittert in de zwakke zonnestralen en haar fel blauwe ogen kijken me intrigerend aan. Enkel haar houding zit me dwars; poten ver van elkaar. Ze kan dus nog niet staan. Haar poten trillen en ik stap naar haar toe. ‘Je moet je poten dichter bij elkaar doen.’, zeg ik via telepathie tegen haar en ze kijkt me verbaast aan.

Alaïs Spiorad pov.

Wanneer Jacob zich heeft omgedraaid, doe ik mijn broek uit. Oké Alaïs, laat het beest in je naar buiten. Ik sluit mijn ogen en er gaat meteen een rilling over mijn rug. Ik voel hoe mijn botten zich vervormen en mijn hele lichaam doet pijn, maar word al snel vervangen door het gevoel van vrijheid. Ik voel en zie hoe witte haren over mijn hele lichaam groeien en alles in me verandert. Als mijn poten de grond raken, voel ik de vochtige aardbodem en omdat ik nog niet gewend ben om op vier poten te staan, spreid ik ze zo ver mogelijk om staande te blijven. Ik grom dan zachtjes en verbaas mezelf erover dat ik dat nog kan. Jacob draait zich om en kijkt me recht aan en het lijkt wel of hij perplex staat. Ik kijk dan dieper in zijn ogen en zie mijn weerspiegeling van mezelf: witte vacht en blauwe ogen. Ik voel hoe mijn poten nog naschokken krijgen van de gedaanteverwisseling. ‘Je moet je poten dichter bij elkaar doen.’, zegt hij via telepathie en ik kijk hem verbaast aan. Hij kan via zijn gedachten communiceren? ‘Poten’, hoor ik weer en ik kijk dan van mijn poten naar Jacob. Hij stapt naar me toe en stapt rond me heen. Beetje bij beetje doe ik mijn poten dichter bij elkaar en als mijn poten onder mijn lichaam zijn, stapt hij weg van mij en gaat vijf meter ver van me staan. ‘Probeer naar me toe te stappen.’ Ik kijk naar mijn poten. Oké, hmm. Eerst links, dan rechter achterpoot… of linker achterpoot? Links voor of rechts voor? Moeten mijn poten synchroon bewegen? Voor ik het besef, beland ik met een klap op de grond, met mijn poten onder mij. Ik zucht dan. Jacob komt naar me toe en ik hoor hoe hij lacht. ‘Je moet niet nadenken, je moet gewoon doen.’ Hij brengt zijn kop onder de mijne en helpt me zo weer opstaan. Mijn poten lijken meer grip te hebben en trillen niet meer zo hard. Oké Alaïs, gewoon doen. Maar dan begin ik weer te denken en Jacob merkt het. Hij bijt me dan in mijn zij, waardoor hij ook een paar haren meetrekt. Ik draai me meteen om en grom vervaarlijk terwijl ik naar hem toe stap met mijn oren plat in mijn nek. ‘Zie je wel? Je kan het.’ Dan pas heb ik me door dat hij me zo enkel maar probeerde te helpen en ik ontspan me weer. ‘Wat dacht je van lopen?’ Voor ik antwoord kan geven, rent hij al weg tussen de bomen, dus heb ik geen andere keus om hem te volgen. Ik ren naar hem toe en het lijkt wel of mijn poten me eindelijk begrijpen. Ik haal hem al snel in en daardoor lijkt het wel of ik hem even verras, maar hij voert het tempo wat op waardoor hij weer wat voorsprong heeft.

Plots stopt hij en ik bots tegen hem op. ‘Ruik eens. Ruik je die vochtige lucht?’ Ik steek mijn neus in de lucht en adem diep in: de vochtige aardbodem, de naaldbomen, madeliefjes en… een edelhert. Ik draai me meteen om in de richting van de geur: vochtige haren, stromend bloed en een kloppende hartslag.

Het hert staat daar. Nog geen twintig meter van me verwijderd. Ik leg mijn oren plat in mijn nek en sluip stilletjes dichterbij. “Alaïs! Het eten is klaar!”, hoor ik mijn moeder roepen, maar ik negeer het, mijn blik nog enkel gefixeerd op de nek van het hert. Een takje breekt. Hij ziet me. Voor het hert kan wegspringen, spring ik vanachter de struik tevoorschijn en plant mijn tanden in zijn nek. Ik voel hoe hij tevergeefs in het rond stampt, maar ik voel zijn bloed langzaam in mijn mond sijpelen, wetend dat hij niet meer zo lang zal tegenstribbelen. Uiteindelijk valt hij neer en ik laat hem los om vervolgens mijn lippen af te likken. Een klein moment. Dat was genoeg om te beseffen wat ik juist had gedaan. Ik verander van gedaante. Op mijn knieën, voor het levenloze lichaam, huil ik. Ik huil tot ik de hand van mijn moeder voel op mijn schouder. Troostend. ‘Ik wil nooit meer in een wolf veranderen.’, zeg ik huilend tegen haar.

Ik leg mijn oren plat in mijn nek en vestig mijn blik tussen de bomen, waar het edelhert staat. 70 meter. Jacob lijkt de geur van het edelhert ook op te merken, maar voor hij me kan ompraten, ren ik al richting mijn prooi. Ik spring over een gevallen boom, ontwijk een laaghangende tak en versnel mijn pas, waardoor ik diepe sporen in de vochtige aardbomen nalaat. 47 meter. Ik loop door de regenplassen. Nog 30 meter. Nu komt de geur van het bloed sterker mijn neus binnen. 21 meter. Ik hoor hoe Jacob achter me aanrent en me verschillende keren roept, maar ik laat me niet tegenhouden. Ik zie de nek met een kloppende ader, klaar om doorgebeten te worden. 12 meter. ‘Alaïs, ophouden! Nu!’, hoor ik Jacob schreeuwen en het edelhert moet mij gehoord hebben en begint van me weg te rennen. Ik haal hem al snel in. 3 meter. Voor ik de kans krijg om te springen en mijn tanden in zijn nek te zetten, gebeurt er het onverwachte.

Reacties (2)

  • LarryNiam

    Love it:)

    1 jaar geleden
  • Allmilla

    Jong geleerd is oud gedaan;)

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen