Phobos staarde in het glas, waar nog maar een klein laagje in zat. Haar schouders hingen naar beneden, haar oogleden voelden zwaar. De neerslachtigheid drukte al dagen op haar neer. Eigenlijk al vanaf het moment dat de euforie vanwege hun ontsnapping was weggedreven.
      De onwetendheid had nog nooit zo zwaar op haar gewogen.
      Haar wereld was maar klein geweest de afgelopen jaren. Haar leven was voor haar bepaald, anderen besloten wat ze at, hoe laat ze at en hoe ze haar dag indeelde. Nu overweldigde de vrijheid haar en wist ze niet wat ze moest doen. De eerste dagen hadden ze nog gelachen, streken uitgehaald met hun krachten en ervoor gezorgd dat ze niets tekortkwamen.
      Maar nu voelde ze zich leeg. Iedere keer dat ze een stel vriendinnen zag smoezen, voelde ze een steek in haar buik. Had zij vroeger vrienden gehad met wie ze jongens bekeek? Was ze weleens verliefd geweest? Had ze, voor ze Morpheus ontmoette, weleens met iemand gezoend?
      Ze verplaatste haar blik naar het raam en keek naar buiten. Het waaide hard. Een moeder kwam voorbij met twee kinderen dicht tegen zich aangedrukt. Weer ging er een trilling door haar heen. Waar dachten haar eigen ouders dat ze was?
      Het waren vragen die keer op keer door haar heen schoten. Constant werd ze geconfronteerd met de gaten in haar geheugen, met het feit dat ze niet wist wie ze was.
      Phobos was maar een codenaam. Het betekende niets.
      Zij betekende niets, voor niemand behalve de drie mensen met wie ze aan tafel zat. En zij voelden zich net zo verloren als zij. Dat zag ze in hun ogen, hoorde ze in hun stem. Hun leven miste een doel, behalve uitvinden wie ze waren geweest en wie hen dit had aangedaan. Maar ze konden zich niet zomaar bij een autoriteit melden, niemand van hen vertrouwde ook maar iemand buiten hun gewone groepje.
      ‘In Harlem is iemand als wij vermoord.’ Het was Athena’s lage, wat schorre stem die de aandacht trok. Ze draaide de omgevouwen krant om, zodat zij het artikel konden zien.
      Phobos liet haar ogen over de regels glijden. Innerlijk verstarde ze toen ze over de kogelvrije Luke Cage las die zich het afgelopen jaar had ingezet om de misdaad in Harlem te bestrijden. Zou zijn dood komen doordat hij een gave had en als een freak werd beschouwd of waren de plaatselijke bendes niet zo blij met zijn ingrijpen?
      Ze sloeg haar ogen op naar Erebus om te zien wat hij dacht. Een zwarte gloed trok als rook over zijn anders zo blauwe irissen, een teken dat hij kwaad was.
      ‘Er moet heel wat voor nodig zijn om een kogelvrije man dood te schieten,’ mompelde hij. ‘Misschien moeten we naar Harlem gaan. Uitzoeken wie erachter zit. Grote kans dat het niet gewoon een bende is, maar iemand die het op onze soort gemunt heeft en weet hoe hij aan de middelen moet komen om iemand met een ondoordringbare huid tóch met een kogel te kunnen doden.’
      Zwijgend keek Phobos hem aan. Al had ze innerlijk al hetzelfde besluit genomen.
      Ze hurkende naar een doel, naar iets om zich op te focussen. Een moordenaar opsporen en buitenspel zetten, klonk als een zinvol tijdverdrijf.
      ‘Goed,’ besloot ze. ‘Dan gaan we naar Harlem. Eens zien of zijn moordenaar banden heeft met wie ons dan ook jarenlang in een faciliteit heeft opgesloten.’

Een paar dagen later stapten ze Harlem’s Paradise binnen. In de straten werd gefluisterd dat ene Shades achter de moord op Luke Cage zat, maar voor de politie was er onvoldoende bewijslast geweest.
      Phobos keek de sfeervolle nachtclub rond, die in een blauwe en paarse gloed was gehuld. Op een podium stond een trio die het publiek op de soulachtige muziek liet dansen. Erebus raakte haar elleboog aan en boog zich naar haar toe.
      ‘Daarboven op de galerij.’
      Zo onopvallend mogelijk keek ze naar boven. Met beide handen leunde er een man op de reling terwijl hij naar beneden keek. Een zelfverzekerde grijns tekende zijn gezicht en zijn hele houding ademde arrogantie uit. Zijn ogen gingen schuil achter een zonnebril. Shades.
      Dat moest hem zijn. Niemand droeg om dit tijdstip en op deze plek een zonnebril dan om zijn naam eer aan te doen. Phobos slikte. De gedachte dat iemand die onlangs iemand had vermoord die anderen als een held beschouwden, hier als een koning in het rond stond te kijken, maakte haar bloed aan het koken.
      ‘Wat een huichelachtige klootzak,’ gromde ze. ‘Dat zie je al vanaf hier.’ Haar ogen schoten de ruimte door, naar de trap. ‘Hij zal lijden.’


Reacties (1)

  • Vasya

    Oeeeh *grabs popcorn* :3

    3 maanden geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen