Foto bij 6

Sari

Ik ben in een grote, open ruimte samen met Tess. In het felle licht zie ik dat de muren om ons heen in vrolijke kleuren en patronen zijn geschilderd en ik sta op een vloer van glanzende, marmeren tegels.
Een paar meter van me vandaan staat Tess. Ze ziet eruit zoals altijd, met haar donkerbruine haar in een staart en een simpel groen T-shirt. Ze hield zo van die kleur en zag het overal. Elk weekend in de zomer liepen we door het bos en kon ze minutenlang staren naar het groene bladerdek en de dichte struiken. Ik was het allemaal al bijna vergeten, maar nu Tess voor me staat komt alles terug.
Als ze me ziet glimlacht ze naar me en loopt ze naar me toe. Enkele centimeters van me af blijft ze staan en ze kijkt me aan met haar lichtblauwe ogen. Ik wil haar vastpakken en knuffelen en ik wil huilen en lachen en alles tegelijk, maar ik kan me niet bewegen. Dus sta ik stil tegenover mijn dochter, als een standbeeld. Dan begint Tess te praten met een lieve, maar toch afstandelijke stem: ‘Mama, het is tijd om door te gaan met je leven. Ik ben er niet meer, maar jij wel.'
Ze kijkt me emotioneel maar zeker aan en ik krijg een angstig gevoel terwijl ik mezelf smeek om te bewegen, om haar van gedachten te doen veranderen, maar nog steeds sta ik stil. ‘Je moet me laten gaan, mama.’
Ineens kan ik me weer bewegen en ik grijp naar Tess, maar alles wat ik nu vastheb is een kussen. Ik kreun van de pijn als ik over mijn gewonde schouder rol en ga op mijn rug liggen. Stille tranen lopen over mijn wangen terwijl ik het kussen in mijn armen heen en weer wieg en mijn hoofd erin begraaf.
Ik wil niet vooruit zonder Tess en ik weet ook niet of ik het kan, maar ze heeft gelijk. Ik moet wel.

Na nog een tijdje in dezelfde houding in mijn bed gelegen te hebben sleep ik mezelf uit mijn bed, kleed ik me voorzichtig aan en zoek ik in de kast naar eten. Tot mijn verbazing vind ik een mueslireep.
Na mijn karige ontbijt besluit ik een wandeling in het bos te gaan maken en tot mijn verbazing doet de buitenlucht me goed. Zodra ik buiten ben en mijn longen zich vullen met de frisse ochtendlucht begin ik me langzaam iets beter te voelen.
Ik begin te lopen zonder echt te weten waar ik heenga terwijl ik zo diep mogelijk in- en uitadem, alsof ik de afgelopen dagen mijn adem heb ingehouden. Op een of andere manier helpt het mij om mijn gedachten te focussen en ik denk aan gisteravond. Ik vraag me achteraf af wat me bezielde, -dat soort impulsieve acties zijn niks voor mij- maar het is nu al voorbij en ik heb iemand geholpen.
Ik denk aan het meisje en vraag me af hoe het met haar gaat en of ze die jongens kende. Ik hoop voor haar dat het hierbij blijft, want er zal niet altijd iemand in de buurt zijn om te helpen. Voor mijzelf geldt hetzelfde, als de politie er niet zo snel was geweest had de laatste jongen mijn leven misschien beëindigd.
Met een luide krak stap ik op een tak en ik kijk om me heen. Ik ben aan de rand van het bos, op Tess’ lievelingsplekje. Ik kijk naar de holle boomstam die op de grond lig en zie weer voor me hoe Tess er altijd op lag zodat ze het groen van de bomen beter kon zien. Ik glimlach bedroefd en ik voel een paar tranen opwellen, die ik laat begaan. Soms is het niet erg om te huilen, toch?
Ik ga op de boomstam liggen en kijk omhoog, naar het bladerdek. Ik wil zo graag weten wat Tess in deze groene massa zag dat er minutenlang geconcentreerd naar staar. 10 minuten later sta ik gefrustreerd op en loop ik door. Schoonheid in de natuur zien was nooit mijn ding en ik kan niet verwachten dat de dood van Tess daar verandering in kan brengen.
Opeens zie ik een politielint en hoor ik stemmen, waarvan een me bekend voorkomt. Ik loop richting het geluid en zie de politielint met daarnaast twee agenten. Nu ik dichterbij kom zie ik dat een van de twee mannen Trevor is, de agent die mij gisteren heeft ondervraagd. Trevor merkt me op en loopt weg van zijn collega om vervolgens naar mij toe te lopen. Ongemakkelijk kijk ik hoe hij naar me toe komt lopen en ik kijk naar zijn gezicht. Hij heeft een exotisch uiterlijk met zijn bruine haar en opvallend lichtblauwe ogen, die er volgens mij prachtig uit zouden zien als hij lacht, wat hij vast vaak doet. Verder valt me op dat er een dun litteken over zijn rechterwang loopt. Dan is hij bij me en ik merk dat ik staar, dus ik wend mijn blik snel af.
‘Eh, hai. Ik wilde je nog bedanken voor gisteravond, als die laatste jongen de sirenes niet had gehoord was het misschien niet zo goed afgelopen voor mij. Bedankt, dus.’
‘Ja, geen probleem hoor,’ zegt hij. ‘Hoe gaat het met je schouder?’
‘Ach, het doet nog wel pijn, maar het is niet zo erg. Die jongen heeft me niet recht gestoken en de wond is heel oppervlakkig.'
Ik beweeg mijn schouder om te laten zien dat het wel meevalt en onderdruk een kreet van pijn. Trevor merkt het en kijkt me onderzoekend aan.
‘Ik zie het.’ Ik reageer niet omdat ik geen idee heb hoe ik zou moeten reageren en even is er een ongemakkelijke stilte, maar dan lijkt hij zich iets te herinneren. ‘Ik wilde je trouwens nog iets vragen na gisteren.’ Hij kijkt me even aan praat dan door. ‘Waarom was je dronken?’
Er lopen rillingen over mijn rug. Eerst wil ik liegen en zeggen dat ik uit ben gegaan met vriendinnen en dat we toen naar de bar zijn gegaan, maar in plaats daarvan spreek ik de waarheid. Terwijl ik hem in zijn op antwoord wachtende ogen aankijk krijg ik het gevoel dat ik hem kan vertrouwen –terwijl ik naast Veronique en Jaimee niemand vertrouw- en ik begin te praten.
‘Ik ben een paar weken geleden mijn dochter verloren en toen heb ik mijn toevlucht gezocht in alcohol. Het hielp niks en daar kwam ik gisteravond ook achter, dus toen ben ik eerder weggegaan waardoor ik die groep tegenkwam. Het maakt niks uit of ik dronken ben of niet, het verdriet blijft toch wel en daar moet ik mee leren leven.’
Zo, dat is eruit. Ik zucht even en kijk Trevor aan terwijl ik mijn gezicht neutraal probeer te houden. Eigenlijk had ik verwacht medelijden in zijn ogen te zien, het soort medelijden waarbij je als een porseleinen vaas wordt behandeld en iedereen altijd maar zijn of haar medelijden blijft uiten, maar dat zie ik niet. In zijn ogen zie ik medeleven, iets heel anders dan medelijden. Hij lijkt niet echt te weten wat hij moet zeggen, maar uiteindelijk praat hij dan toch.
‘Het spijt me heel erg voor je en sorry dat ik naar gisteravond vroeg, ik wilde je niet onder druk zetten.’ Hij kijkt me een beetje schuldig aan en ik geef hem een zwak glimlachje om te laten zien dat het niet erg is. Hij had alle recht om ernaar te vragen. Als hij mijn kleine glimlach ziet lijkt dat hem aan te moedigen om het gesprek voort te zetten.
‘Ze moet wel erg jong geweest zijn, lijkt me.’ Het is een aanname die heel logisch lijkt: ik ben nog maar 28, hoe zou ik oudere kinderen kunnen hebben?
Met mijn hand gebaar ik hem om me te volgen en pas als ik zeker ben dat we buiten gehoorsafstand zijn van de andere politieagenten stop ik en kijk ik Trevor aan. Ik heb besloten om hem alles te vertellen. Ik wil hem niet in zijn ogen aankijken als ik mijn verhaal vertel, dus focus ik me op zijn litteken.
‘Tess was 12 jaar. Toen ik 16 was ben ik verkracht en voor dood achter gelaten in een steegje, dus nu snap je waarom ik dat meisje wilde helpen.
Een paar weken later voelde ik me niet goed en zijn we naar het ziekenhuis gegaan waar bleek dat ik zwanger was. Die pedofiel heeft mij mishandeld, gebruikt en zwanger achtergelaten en daar is hij nooit voor opgepakt. Iedereen lijkt het vergeten te zijn, maar ik herinner me het alsof het gisteren was.’ Nu beginnen de tranen toch echt omhoog te komen en ondanks dat ik ze probeer tegen te houden stromen ze al snel over mijn wangen. Ik begin weer te praten, met een zachte stem:
‘Hij heeft me een ding gegeven, die man: iemand om van te houden, een reden om te leven. En nu is ze dood.’

Reacties (1)

  • AmeranthaGaia

    Oké, mijn hart is nu een beetje heel erg gebroken.

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen