Mariah kwam naast hem staan. Haar hand gleed onder zijn zwarte colbert en bleef op zijn onderrug liggen, haar greep een beetje dwingend zoals altijd. Hij keek niet opzij, zijn blik bleef op de zaal beneden hem gericht. Harlem’s Paradise werd altijd goed bezocht, maar na Cage’s dood was er toch een beetje bezorgdheid geweest dat mensen de nachtclub niet langer wilden bezoeken. Het was geen geheim dat hij degene was die de fatale kogel had afgevuurd, al kon niemand het bewijzen. Maar hij was blijkbaar niet de enige die blij was dat de wereld van een freak verlost was. Misschien kon hij dan wel geen staal met zijn handen ombuigen en ging hij hartstikke dood als er een salvo kogels in zijn borst sloeg, maar hij overtuigde zichzelf er graag van dat er ook mensen waren die hem als een held beschouwden. Hij had de maatschappij een plezier gedaan.
      Mariahs hand gleed omhoog langs zijn ruggengraat en daarna weer naar beneden. Even draaide hij zijn hoofd opzij naar de vijftien jaar oudere vrouw. Ze ving zijn blik en liet een suggestief lachje zien. Shades forceerde een glimlach, maar ze kon zijn aandacht niet vasthouden. Hij voelde onvrede, alsof hij zijn doel een beetje verloren was nu Cage dood was. Onrust knaagde altijd aan hem als hij niets omhanden had. Het dreigde altijd de muur die de herinneringen weghield af te breken.
      Plotseling klonk er een geweerschot – en daarna nog een.
      Mensen begonnen te schreeuwen, te vluchten naar de uitgang. Direct trok Shades zijn pistool uit zijn broekband, ging schuin voor Mariah staan en richtte het wapen op de deur. De eerste die erdoor stapte, zou hij door zijn hoofd knallen.
      ‘Ga via de andere trap naar beneden,’ droeg hij de vrouw op.
      Ze protesteerde niet en liep bij hem vandaan, beheerst. Net als hij was hij opgegroeid tussen het geweld, had ze het staal tegen haar hoofd gevoeld.
      Shades’ vinger spande om de trekker. Beneden stroomde de boel nog steeds leeg. Tussen hem en de trap naar de zaal bevonden zich twee deuren en minstens vier bewakers, de kans was klein dat de schutter erlangs kwam.
      Plotseling kwam er zwarte rook onder de deur door. Het volgende moment spatte het glas dat erin zat uit elkaar. Hij schoot. Een vrouw met getatoeëerde armen viel op de grond. Er kwam een waas uit de tattoos en Shades sperde zijn ogen open toen het waas zich tot een grommende panter vormde. Hij struikelde achteruit. Voordat hij opnieuw kon vuren, wikkelde een zandtornado zich rond zijn hand en rukte zijn vingers van het wapen. Iets kouds, iets donkers gleed om hem heen, en voor hij met zijn ogen kon knipperen stonden er twee personen voor hem. Tijd om daarop te reageren kreeg hij niet. Een scherpe pijn schoot door zijn schedel en hij greep naar zijn hoofd. De muren in zijn geesten donderden naar beneden. Herinneringen dwaalden door hem heen, haar witte bruidsjurk die rood kleurde, haar lijkwitte gezicht, haar opengesperde paniekerige ogen. De tranen die over haar wangen rolden, haar bevende lippen die fluisterden: ‘Laat me niet los, mijn liefste. Laat me nooit los.’
      De herinneringen sleurden hem mee, duwden hem in een donker gat, een koude gevangenis waar niets was dan haar schrijnende afwezigheid.
      ‘Stop!’ Een stem scheurde dwars door zijn gedachte heen. Een hand verdween van zijn schouder. Langzaam keerde zijn zicht terug, kreeg zijn wereld weer kleur. Hijgend staarde hij vooruit, nog steeds gevangen in het moment, in de zwartste dag van zijn leven.
      En toen zag hij haar, alsof ze zo uit zijn herinneringen was geglipt.
      Ze stond recht voor hem, haar hand tegen haar borst gedrukt. Een donkerharige jongen stond naast haar.
      ‘Wat is er?’
      ‘Ik…’
      Shades hapte naar adem. Ze stond daar, echt. Tastbaar. Levend. Zijn hart kromp samen – een hart waarvan hij niet eens geweten had dat hij dat nog bezat. ‘Norah…’ bracht hij stamelend uit. Hij wilde zoveel meer zeggen, wilde zoveel meer doen. Haar aanraken, haar in zijn armen trekken. Maar het was alsof zijn hele lijf verstard was.
      Ergens in zijn achterhoofd vond zijn verstand zijn stem weer terug. Het kan haar niet zijn. Ze is dood. Voor je ogen gestorven. Tien jaar geleden.
      De eerste jaren had hij vaker momenten als deze meegemaakt – in de volle overtuiging dat hij haar ergens zag. Maar nooit zo dichtbij, nooit zo levensecht.
      ‘Nee,’ zei hij met een schorre stem. ‘Je kunt haar niet zijn.’
      Hij tastte naar zijn middel, naar zijn wapen en realiseerde zich weer dat hij op de grond lag. Dit was Norah niet, ze was dood. Het was weer zo’n freak – eentje die in zijn hoofd kon wroeten en andermans vorm kon aannemen. Zijn vingers stuitten op het mes dat hij op zijn heup droeg en hij trok het. Woede omdat iemand haar gedaante had aangenomen, haar had bezoedeld, raasde door hem heen. Zijn vingers kromden om het heft en hij haalde uit.
      Naar haar buik. Zodat ze zou doodbloeden, net zoals Norah had gedaan.


Reacties (1)

  • Vasya

    Er is iets met dit verhaal waardoor ik de neiging krijg om maniakaal te gaan lachen? Er is iets heerlijk aan de onwetendheid van de personages, haha. En de drama. Oh, de drama :3

    5 maanden geleden
    • Croweater

      Haha, nee aan drama geen gebrek. :'P

      5 maanden geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen