Je hebt gefaald.
Mislukkeling.
Sukkel.
Loser.


Amelia kauwde gefrustreerd op de binnenkant van haar wang. Het smaakte naar warm metaal. Met haar armen gekruist stond ze op de toren te wachten. Ze probeerde om iets in het schemerduister te kunnen zien, maar ze kon alleen de lichtjes onderscheiden. Rood. Blauw. Wit. Je zou er prompt een vaderlandsliefde van krijgen.
      "Een nieuwe, he?" vroeg de wachter naast haar. Hij hield zijn geweer nonchalant naar beneden gericht en keek ongeïnteresseerd mee over zee. Hij geeuwde eens, het was nog vroeg. Het was al jaren geleden dat iemand een poging had gedaan om van het eiland te ontsnappen, laat staan dat hij ver was geraakt. Het leven kon ook best makkelijk zijn, daar in het fort.
      Amelia knikte. Voor haar was het niet gemakkelijk. Dit was moeilijker dan alles wat ze eerder had moeten doen. Toegeven. De schade beperken. Ze had een fout gemaakt, een grote fout. Dat was maanden later nog elke dag pijnlijk duidelijk. Ze had het niet kunnen oplossen. Er was geen enkele verbetering. Dus nu... Nu hadden ze iemand nieuw gevonden. Nieuwer dan zij, met haar schamele twee jaar ervaring. Beter dan zij.
      "Welke gek is er gekker geworden?" vroeg de wachter nog altijd even ongeïnteresseerd. Ze kende zijn naam niet eens, maar daar hield ze zich ook niet mee bezig. Er liepen honderden bewakingsagenten rond op het eiland. En maar vijf psychiaters. Zes, vanaf vandaag, of dat hoopte ze toch.
      Daar had ze nog het meeste schrik voor: dat ze haar zouden wegsturen. Dat ze naar huis moest, terug naar Oakland, dat boerengehucht. Welkom thuis, jij grote stomkop. Amelia beet harder op haar wang, de bloederige smaak nu niet te harden. Ze kuchte, zachtjes.
      "Vijf," mompelde ze. De wachter trok zijn wenkbrauwen op en leunde dichter naar haar toe. Het geweer botste tegen haar been. Ze kreeg er de kriebels van.
      "Sorry?"
      "Nummer Vijf," antwoordde ze veel luider. Ze keek de man niet aan, haar blik nog altijd op de zee gericht.
      De wachter leunde weer naar achteren. Hij nam er zelfs een extra stapje voor. De wenkbrauwen gingen nog wat omhoog, zijn mond ging open en weer dicht, zonder geluid te maken. Dan herstelde de man zich, en knikte hij langzaam.
      "Natuurlijk." Het werd weer stil. Iedereen kende Vijf. Natuurlijk kende iedereen hem. Ze haatte het dat ze moest toegeven dat de man naast haar waarschijnlijk niet eens zo veel minder over de jonge moordenaar wist dan zijzelf. Verdomme. Loser.
      "En," zei de wachter, nadat hij nog eens geeuwde. "Wie wordt het?"
      Ze keek hem niet begrijpend aan. "Sorry?" echode ze zijn antwoord. Ze liet de schuimende golven even voor wat ze waren en richtte haar blik op hem. Hij was jong, bijna even jong als zij. Dat ze dat nu pas opmerkte. Hij was ook niet erg lelijk, al trok een groot litteken op zijn wang alle aandacht. Snel wendde ze haar blik weer af. Ze kon nogal indringend kijken, en hoewel ze geen keuvelaar was, was ze wel blij met het gezelschap. Ze wilde hem niet wegjagen.
      De wachter lachte en kwam weer dichter staan. "Wie is de nieuweling?" Hij keek haar nieuwsgierig aan en probeerde haar blik te vangen, die ze handig ontweek. Ze kauwde weer op haar wang. Er knapte iets. Warm metaal vulde haar mond en ze moest eerst even slikken.
      "Jonathan Mac-nog iets," antwoordde ze. Ze kon de afkeer maar net uit haar stem houden.
      "Ken ik niet." De wachter fronste. Ze keken samen weer naar de zee, waar de lichtjes dichterbij kwamen. Ze hingen nu ook in de lucht. Een helikopter. Er kwamen altijd helikopters aan te pas wanneer iemand aankwam op het eiland. Of wanneer ze weer weggingen. Zeker wanneer ze weer weggingen.
      "Klopt, hij is geen bekende naam." Ze slikte. Haar borstkas deed pijn van tranen die ze al maanden inhield. Frustraties en teleurstellingen die zich hadden opgestapeld, vlak naast haar longen. Ze liet het niet merken. Dat kon ze niet. "Nog niet eens afgestudeerd."
      "Wat? Een stagiair?" De wachter lachte. Ze lachte zuurtjes mee. Zij had een fout gemaakt en ze kreeg het niet rechtgezet, dus stuurden ze er een stagiair op af. Een groentje. Goed, hij had dan wel de beste punten van zijn jaar, en dat op één van de meest prestigieuze universiteiten van het land, maar een groentje niettemin. En was zij ook geen wonderkind, een natuurtalent? Blijkbaar niet.
      "Zoiets, ja." De bitterheid in dat antwoord kon ze niet verbergen. Ze voelde het tot in haar botten.
      "Oh." Stilte. "Maar... waarom? Dit lijkt me niet de ideale stageplaats."
      Ze zuchtte. "We zoeken iemand dichter bij zijn leeftijd. En je vindt nu eenmaal geen afgestudeerde psychiaters die daarbij in de buurt komen. Dit was..." Ze slikte nog eens, haar mond steeds droger. De metaalsmaak was al koud geworden. "De beste optie die we hadden."
      "Beter dan jij?" grinnikte de wachter. Ze zag dat hij het niet meende, maar het stak, daar waar haar longen al geen plaats meer hadden. Er waren honderden bewakingsagenten, maar maar vijf psychiaters en ze waren wel gekend op het eiland. Daarbij was dit niet haar eerste keer op de westertoren. Ze had hem nog nooit gezien, niet met dat litteken, maar het verbaasde haar niet mocht hij haar wel kennen.
      "Dat zien we wel," mompelde ze als antwoord. De lichtjes verdwenen langzaam in de opkomende zon. Ze kon de boot onderscheiden.
      De man knikte langzaam en kuchte ongemakkelijk. Hij greep zijn wapen weer vast en legde het voorzichtig op zijn schouder. Hij lachte kort, maar draaide zich om toen ze niet reageerde. Zijn taak was niet de zee, maar het binnenplein, en het werd hoog tijd dat hij zich daar weer op richtte. De bewoners van het Burgerhartfort konden elk moment hun ogen openen.
      Het bleef een kwartier stil, op wat gesnuif en geschuifel na. De verveelde geluiden deden Amelia twijfelen over de professionaliteit van de man achter haar, maar ze zweeg erover. Ze piekerde al genoeg over professionaliteit. De boot meerde langzaam aan, de helikopter vloog over hen heen. Het toestel zou aan de andere kant van het eiland landen, of weer terugvliegen. Niets om je van aan te trekken.
      Uit de boot kwamen drie mensen. Ze kon het grijsblauwe uniform van de agent herkennen, en de blonde dot van Sarah. Naast haar stond een man, niet erg groot en een beetje slungelig. Ze kon zijn gezicht niet onderscheiden, maar ze gokte dat dat haar nieuwe collega was. Haar rivaal. Nog even en ze zou hem moeten begroeten. Nog even en ze zou hem onder ogen moeten komen. Zichzelf onder ogen komen.

Je hebt gefaald.
Mislukkeling.
Sukkel.
Loser.


Haar tanden lieten haar wang onberoerd, toen ze zich kort en strak richting de trap begaf. De wachter groette haar nog en zij gaf hem een kort knikje. Daarna verdween ze naar beneden, de trap af.

Reacties (4)

  • Arsinoe

    Oeh, dit is echt heel goed!

    2 maanden geleden
  • NicoleStyles

    Wauwie wat een vet begin!

    2 maanden geleden
  • Ferdinand

    Jaaaaa, love it. <3

    2 maanden geleden
  • Slughorn

    Wauw, mooi hoofdstuk.
    Heel gaaf.

    2 maanden geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen