De rit naar Portugal is een hel. De winter ligt op de loer, maar de temperaturen zijn nog te hoog voor sneeuw of hagel. In plaats daarvan regent het alleen maar. In de weken van de reis, zie ik geen enkele keer een blauwe lucht. Alleen maar grijs, met een kille wind die overal doorheen jaagt. De reis duurt daardoor langer dan gepland; ik roep niet vaker tot halt dan nodig is, maar wil ook niet dat mijn mannen onderkoelt raken. Vuren maken voor de nacht is moeilijk; al het hout is doorweekt en produceert niet veel meer dan rook. De wegen zijn van modder en meer dan eens komen we vast te zitten. Ik voel het water in mijn laarzen lopen als we voor de derde keer die dag de koets los moeten duwen. De eerste keer dat ik kwam helpen, werd ik vreemd aangekeken, maar ondertussen zijn ze het van me gewend. Het voelt niet goed om te blijven zitten terwijl mijn mannen zich in het zweet werken.
Koning Sancho ziet me aankomen - bedekt met modderspetters tot op mijn kruin, alsof ik deel ben van de soldaten. Maar hoe langer de reis duurt, hoe meer ik merk dat dat precies is waar ik wil zijn. Het zorgt er even voor dat ik me minder zorgen maak over de weken die komen gaan, over het effect dat dat op mij gaat hebben. Als man, als koning.
Ik word tot halt geroepen als ik aanbied als verkenner vooruit te gaan. Even overweeg ik ze te bevelen me te laten gaan, maar dan realiseer ik me dat ze ook gelijk hebben. De reden dat ik een groep van veertig man mee heb, is deels om ervoor te zorgen dat ik geen te gemakkelijk doelwit ben. Als ik er een mijn eentje op uit ga, kost het maar één pijl om me neer te halen. Er gaan twee anderen. De rest van ons geeft de koets een laatste zet om los te komen, en ik klim weer naar binnen. Als het goed is komen we over twee dagen aan in Lissabon, als we nog meer grote tegenslagen krijgen. Uitgeput, tot het bot doorweekt en koud wikkel ik me in een van de dekens en probeer te slapen, zodat ik in mijn dromen bij Emmaline kan zijn.

Ik baal dat ik niet heb aangedrongen dat Pascalle direct met me mee zou komen, in plaats van met de tweede karavaan waarmee ook Emma en Eschive aan zullen komen. De Portugeese dienstmeisjes hebben goede bedoelingen, maar de communicatie verloopt moeizaam en hebben constante aansturing nodig, waar ik eigenlijk geen energie voor heb. Het heeft ons bijna een maand gekost om het kasteel te bereiken. Mijn mannen hebben geen energie meer over, de koets is zo beschadigd dat we er waarschijnlijk niet meer mee terug kunnen en twee paarden zijn aan oververmoeidheid bezweken. De koning is gelukkig slim genoeg weinig eisen te stellen; de eerste drie dagen heeft hij, behalve zijn begroeting, geen contact aangedrongen. Ik slaap veel, neem een warm bad wanneer ik kan, en praat met vrijwel niemand. Winoc zit nog in Frankrijk, en blijft daar ook, omdat ik er op stond dat hij tijd zou doorbrengen met vrouw en kind. Ook spijt van. Ik ben eenzaam en heb geen idee wanneer ik weer vertrouwde mensen om me heen zal hebben. Het weer is alleen maar slechter geworden en nu zit er ook sneeuw in de lucht. Als het ons al zo lang kostte...
Aan het einde van de derde dag wordt er op mijn deur geklopt. "De Koning vraagt of u samen met hem en zijn zoon wil dineren." Het dienstmeisje spreekt gebroken Frans, maar ik kan het verstaan. Hoewel ik mezelf liever zou blijven opsluiten, geef ik haar een knikje. Ze buigt, en verdwijnt.
Van het diner zelf krijg ik maar weinig mee. Het eten is fantastisch en de wijn vloeit rijkelijk, maar iedereen aan tafel weet precies waarvoor ik hier ben. Het hangt als een dolk boven ons hoofd. Zodra hij kan, maakt de jonge prins excuus en vlucht hij de zaal uit. Ik kan het hem niet kwalijk nemen. De koning verzekert me dat Cecilio op de hoogte is van zijn moeders daden, maar... het blijft zijn moeder. De rest van het diner verloopt grotendeels in stilte, waarvoor koning Sancho na afloop zijn excuses aanbiedt. Ik druk hem op het hart dat ik het begrijp en hem niets kwalijk neem, maar dat ik hoop dat de relatie tussen ons mettertijd minder stroef zal worden. Dat beaamd hij.
Het is goed dat ik het vonnis al uitgeschreven heb, bezegeld en wel, anders was ik na deze avond nog gaan twijfelen.

De volgende dag zijn al mijn afspraken eerder klaar dan verwacht en heb ik ineens tijd om te trainen. Door de lange reis ben ik slecht in vorm, dus het oefenen is meer dan welkom. Nadat ik twee schildknapen heb afgemat met zwaardvechten, ga ik door met boogschieten, waar ik al snel word onderbroken door Cecilio die met de deur in huis valt.
"Ga je mijn moeder vermoorden?"
Wat voor antwoord geef je op die vraag? Ik laat mijn boog zakken. "Wat nou als ik daar ja op zeg?"
Hij haalt zijn schouders op. "Ik zou boos zijn. Maar ik zou het ook snappen. Wat ze heeft gedaan, heeft invloed op ons allemaal."
Ik knik voorzichtig. "Ik kan je nog niet zeggen wat mijn beslissing is. Dat kan pas bij de terechtstelling."
"Daarvoor komt Eschieve ook, toch? En jouw vrouw?" Als ik dat bevestig, bloost hij een beetje. "Denk je dat Eschieve nog met me wil praten?"
Ik kan een lichte glimlach niet onderdrukken. "Zeker voor Eschieve zijn er heftige dingen gebeurd hier in Portugal. Ze vindt het moeilijk om terug te komen, en kan alle vriendschap gebruiken. Zo lang je het maar tactisch doet, en als ze zegt dat ze je niet wil zien..."
"Dan laat ik haar met rust." Hij knikt stellig. Hij wijst naar mijn boog. "Ik heb geoefend, en ben al een stuk beter dan de eerste keer dat je me les gaf! Mag ik het laten zien?"

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen