Foto bij H54

Even een vraagje: willen jullie graag eens een Q&A houden met de personages?(flower)

Daar zit hij, dezelfde gedaante als de vorige avond. Hij zit op de achterbank, zich stevig vastklampend aan de handvaten van de twee deuren, terwijl hij verbaast zegt: “Waar heb jij leren rijden.”

Alaïs Spiorad pov.

“Wie… in Godsnaam… ben jij.”, zeg ik nog steeds geschokt van het auto-ongeluk en ik voel mijn hart in mijn keel kloppen. ‘Eerst MIJN vraag beantwoorden: waar heb jij leren rijden.’, zegt de gedaante in het wit en hij laat de handvaten van de auto langzaam los. Ik slik. Ik volg zijn bewegingen nauwkeurig op en speel het spelletje maar mee. “Van mijn moeder.” ‘Ugh, typisch vrouwen. Ze kunnen ook niets goed.’, zegt hij en draait met zijn ogen. Hij speelt het spel mee, zo houden Alaïs. “Nu mijn vraag.”, zeg ik met mijn beste zelfzekerheid, maar die verdwijnt meteen als hij met onmenselijke snelheid op het puntje van de achterbank gaat zitten. Met een schok trek ik me naar achteren, me zo dicht mogelijk tegen de voorruit aandrukkend. Hij legt zijn ellebogen op de uiteinden van de twee voorste stoelen en ik voel hoe zijn ijzige adem mij bereikt. Een koude rilling gaat over mijn rug bij de stilte die volgt, waarin we het oogcontact met elkaar niet verbreken. Ik zie hoe zijn ogen hemelsblauw zijn, maar het straalt toch een zekere leegte uit. Glazige ogen. ‘Ik zeg niets.’, fluistert hij en gaat langzaam terug op zijn plaats zitten en zakt wat onderuit. Ik ga nu ook terug in mijn vaste positie zitten en wanneer ik weer genoeg moed heb verzameld, zeg ik: “Ik heb antwoord gegeven op je vraag, dus dan moet jij dat ook doen.” Hij houd zijn hoofd schuin en kijkt me leeg aan. ‘Ik heb geen zin om jou spelletje mee te spelen.’, zegt hij met verheven stem en blijft me neutraal aankijken. “Wat wil je van me.”, zeg ik met een trillerige stem. Nog geen seconde later hangt zijn gezicht nog geen vijf centimeter van mijn gezicht. ‘Niet zo bazig jonge dame, zonder Athame moet je het toch ook wel kunnen redden.’, sist hij tegen mijn lippen, ‘Of ben je zo’n afhankelijk kindje dat zijn kleine mesje altijd in de buurt wilt hebben.’ Hij gaat terug op zijn plaats zitten.

“Ga uit mijn auto, nu.”, zeg ik hem met een bevende stem, geen idee of het door de angst kwam of door de woede. ‘Nee’, is zijn kort en bondig antwoord. ‘Misschien is het beter dat jij uit de auto gaat.’, zegt hij en net wanneer ik wil vragen waarom ik dat in hemelsnaam moet doen, wordt er lichtjes op de zijruit geklopt. Ik kijk verschrikt naar buiten en zie een oudere man van in de eind dertig. Ik doe mijn riem uit en open het portier. ‘Ik heb u van de weg zien rijden mevrouw, bent u in orde? Moet ik de hulpdiensten bellen? Hebt u ergens pijn of zo? Moet ik u misschien helpen om de auto terug naar de weg te duwen?’, vraagt hij aan een stuk door en ik weet even niet wat te zeggen. ‘Bent u ongedeerd?’, vraagt hij dan nog eens als ik geen antwoord geef en ik knik. “Ja, ik denk het wel.” Ik stap uit en rek kort mijn rug en voel een steek door mijn schouder gaan, maar ik geef er niet te veel aandacht aan en laat het voor wat het is. ‘Zal ik u helpen de auto terug naar de weg te duwen? Het is hier namelijk wat bergaf.’, grapt hij en ik glimlach. “Dat zou heel vriendelijk van u zijn, danku.” Hij glimlacht en ik draai het stuur in de juiste richting en ga samen met de man naar achteren om dan tegen de achterkant van de auto te duwen. Als ik via de achterruit van de auto naar binnen kijk, zie ik de gedaante doodleuk naar me kijken. Met zijn ellebogen op de rugleuning van de achterbank, lijkt hij wel een kind dat voor de eerste keer een mens ziet. Onze blikken kruisen en hij zwaait opgewonden naar me, maar ik negeer hem en duw verder.

Ik zwaai met mijn linkerarm naar de man als hij met zijn rode BMW de weg oprijd. Mijn auto staat aan de linker pechstrook en ik bekijk de schade wanneer ik rond de auto stap. Een grote deuk aan de linker achterdeur en ook nog die grote barst. Mijn moeder gaat me vermoorden. En Jacob ook. Ik zucht en open mijn portier om dan in te stappen. Ik doe mijn riem aan en grijp het stuur met beide handen stevig vast. Ik draai me om en zie hoe de gedaante braafjes in het midden op de achterbank zit. “Eruit, zei ik.”, zeg ik en draai me weer naar voor en start de motor. ‘Nee’, zegt hij en ik slaag mijn hoofd naar achteren. ‘Als ik jou was zou ik beginnen te rijden, anders mis je school nog.’, zegt hij en daar ben ik het wel mee eens, voor één keer dan toch. Ik rijd dan de weg op.

Reacties (1)

  • Allmilla

    Oké, nu begint die gedaante creepy te worden...:SEn een Q&A zie ik wel zitten:D

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen