Op een dag werd ik wakker en besloot ik dat ik dood wilde.
Oké, dat is misschien een beetje kort door de bocht. Ik dacht niet:
'Goh, vandaag snij ik mijn polsen door.' En ik dacht ook niet:
'Dit is een mooie dag om me voor de trein te gooien.' Ik had geen visioenen van een overdosis pijnstillers of een föhn in een badkuip en toch werd ik wakker met het gevoel dat ik er gewoon klaar mee was. Zonder uit het raam te kijken, wist ik dat de zon niet zou schijnen, het gras niet langer groen was en alle kleuren van de wereld vervaagt zouden zijn tot een grijze substantie. Alsof ik regelrecht een stomme film was binnengestapt en het enige geluid van een piano kwam, waarvan je nou nooit wist of de muziek vrolijk moest zijn of onheilspellend. Er was gewoon niets meer. Geen toekomst, geen dromen, zelfs geen nu. Ik was me er opeens pijnlijk van bewust dat de wereld wel zou verder draaien, ook zonder mij erin. Want wees nu eerlijk: er zijn zeven biljoen mensen op de wereld en niemand bekommert zich om nummer 6.999.999.999.999. Zelfs als ik ook maar een biljoen hoger op die lijst had gestaan, zou niemand me hebben opgemerkt. Ik ging simpelweg op in de massa, was er één van zoveel, een nietig stipje in het universum en het idee dat ik toch geen verschil maakte, stortte zich als een bak ijswater over me heen.
Dus toen ik die dag wakker werd, was het niet zozeer dat ik hoopte dat een vrachtwagen me vandaag van de weg zou scheppen. Ik zou alleen ook niet aan de kant zijn gesprongen als de koplampen mijn kant op waren gekomen.

Die dag was nu ruim een maand geleden. Ik zat in de trein en de reis kon me niet lang genoeg duren. Sterker nog: ik had niet het idee dat ik zou uitstappen als het eindstation werd omgeroepen. Waarschijnlijk bleef ik zitten waar ik zat, dubbelgevouwen tussen mijn koffers en tassen, om regelrecht weer naar huis te gaan.
'Sorry,' zou ik tegen mijn verwarde ouders zeggen, 'ze hadden toch niemand nodig. Het was een foutje.' En dan zou ik naar mijn kamer vertrekken, me in drie dikke lagen van dekens wikkelen, in slaap vallen en hopen dat ik nooit meer wakker werd. Het klonk als mijn beste idee van vandaag.
Het was te warm in de coupé. Twintig graden buiten maar toch had de NS het nodig gevonden om de verwarming aan te zetten. Ik spiekte door het gangpad en zag een zakenman puffend zijn stropdas losser maken en verderop waaide een tiener zichzelf wanhopig wat koelte toe met een krant die iemand misschien had laten liggen. Als ik wilde, kon ik het raampje een klein beetje openzetten. Ik snakte naar een beetje frisse lucht, al was het maar een briesje. Maar om het raam open te maken moest ik opstaan en opstaan betekende dat iedereen zou toekijken hoe ik stond te stuntelen om het raam open te krijgen. En het raam zou ongetwijfeld klemmen en uiteindelijk zou ik het op moeten geven en iedereen in de coupé zou me stiekem uitlachen. Als hij vanavond thuis kwam, zou de zakenman tijdens het eten vertellen over "de domme koe die een simpel raampje in de trein niet open kreeg." En de tiener zou haar telefoon tevoorschijn trekken, het hele gebeuren filmen en op social media delen met haar vrienden.
"Yo, gast. Hoe fucking moeilijk is het?” zou ze erbij schrijven, tot groot vermaak van het internet. Bij het idee alleen al zakte ik onderuit van schaamte. In vergelijking met de sociale schandpaal leek de koele wind ineens niet zo belangrijk meer.

De trein minderde langzaam vaart en ik kreunde zachtjes toen we het station binnenreden. Het perron zag zwart van de mensen, wat betekende dat er wel een trein uitgevallen moest zijn en half Nederland per se met deze mee moest. De coupé zat al half vol en binnen een halve minuut zouden mensen afkeurend mijn kant op kijken omdat ik een hele stoel bezet hield voor mijn bagage.
'Asociaal.’
‘Egoïstisch.’
Wanhopig probeerde ik mijn enorme koffer onder mijn lange benen te schoppen en nam mijn uitpuilende rugzak en weekendtas op schoot. Ergens op de wereld zaten er nu sardines in een blikje met meer bewegingsvrijheid.
Net toen ik mijn jas ergens tussen de tassen in probeerde te proppen, schoven de deuren van de coupé open en de eerste mensen druppelden naar binnen. Iedereen wilde kennelijk een plekje bemachtigen, want mensen liepen gehaast naar vrije stoelen en keken triomfantelijk om zich heen als ze er één gevonden hadden.
'Niet hier,' prevelde ik zachtjes terwijl de één na de ander voorbij liep. 'Niet hier. Niet hier. Niet hier.'
Een oude vrouw plofte naast me neer. Verdomme.
Ik was heus geen antisociaal geval dat het andere mensen niet gunde om ergens te kunnen zitten, maar dat "ergens" hoefde alleen ook niet zo direct naast me te zijn. Daarom had ik er voor gekozen om niet in de spits te reizen, om zoveel mogelijk drukte te ontlopen.
Zo onopvallend mogelijk schoof ik dichter naar de raamkant, om zoveel mogelijk ruimte tussen onze lichamen te maken. Ik wilde de vrouw niet aanraken, geen last bezorgen van alles wat ik met me meesleepte.
Het was nu echt bloedheet in de trein en ik had spijt dat ik het risico niet had genomen om het raam te openen. Mijn shirt plakte aan alle kanten en ik voelde een zweetdruppel langzaam van mijn voorhoofd glijden. Hoelang nog tot ik eruit kon? Zonder op het scherm te kijken, wist ik dat het antwoord minimaal anderhalf uur was.
'Warm hé?' De vrouw knikte veelbetekenend naar de bagage op mijn schoot. 'Dat zit vast niet lekker.'
Ik schudde mijn hoofd. Ik hoopte dat ze niet de hele reis tegen me zou praten, want ik kon ook niet zomaar opstaan om ergens anders een plekje te zoeken.
'Ga je op vakantie?'
'Zoiets,' mompelde ik. Ik was nog nooit echt op vakantie geweest. Daar deden we thuis niet aan. Er was nooit geld genoeg, zelfs niet voor een weekje op de camping in Ameland. In plaats daarvan namen mijn ouders mij, en later mijn tweelingbroertjes, in de vakantie mee naar de Efteling of het museum. Dat wil niet zeggen dat ik zielig was. Mijn ouders wisten er altijd een gezellige dag van te maken, met zoveel ijsjes als we maar op kregen.
Maar na de vakantie moest iedereen in de klas vertellen wat ze de weken ervoor gedaan hadden en dan kwamen de wildste verhalen naar boven. Over zwemmen in Egypte, berg klimmen in Frankrijk en safaritochten tussen de leeuwen in Afrika. Na al die verhalen moest ik, helemaal als laatste, vertellen dat we Nederland niet uit waren geweest.
'Vakantie in eigen land kan ook leuk zijn,' zei de juf dan barmhartig.
'Of haar ouders hadden gewoon geen geld om weg te gaan,' giechelde iemand. Zowel de juf als ik deden alsof we het niet hoorden.

Ergens in mijn broekzak voelde ik mijn mobiel trillen. Het was onmogelijk om het ding tevoorschijn te halen in de positie waarin ik nu zat, maar ik brandde van nieuwsgierigheid om te kijken. Mijn mobiel ging eigenlijk alleen maar af wanneer Candy Crush me wilde vertellen dat ik weer nieuwe levens erbij had, of Buienalarm een opkomende regenbui aankondigde. Maar de lucht was vlekkeloos blauw en ik had een kwartier geleden nog al mijn levens voor Candy Crush opgebruikt dus dit keer moest het echt een berichtje zijn. Er was een kans van ongeveer vijfenzeventig procent dat het mijn moeder was, bezorgd omdat ik voor het eerst "zo ver" van huis ging voor een lange periode. Ze was niet laaiend enthousiast geweest over mijn plan.
Ik had de mededeling twee weken geleden gedaan toen we net aan tafel zaten, precies op het moment dat mijn broertjes broccoli in elkaars oren probeerden te stoppen.
'Animatie?' had ze verbaasd gevraagd en de opscheplepel was even stil in de lucht blijven hangen. 'In Limburg? Maar je hebt al een baan!'
'Ja, als postbode. Dit is wat meer buiten, met kinderen. Het komt in elk geval dichter in de buurt van mijn opleiding tot onderwijsassistent. Bovendien is het maar tot na de herfstvakantie.'
Mijn moeder had haar kiezen op elkaar geklemd en een lepel aardappelen op mijn bord gedrapeerd. 'En dat moet dan zo ver van huis? En wat nou als er iets gebeurd? Dan zijn we nooit op tijd bij je.' Ze had haar hoofd geschud en naar mijn vader gekeken. 'Ik zie het niet zitten. Wat jij, Peter?'
'Leuk, schat.' Mijn vader had niet eens opgekeken van zijn mobiel, maar nu smeet hij hem gefrustreerd op tafel. 'Ze willen weer de belastingen verhogen!'
'En je dochter wil naar Limburg. Dat is iets dringender dan die belastingen van jou.'
'Limburg?' Mijn vader keek me nieuwsgierig aan. 'Wat ga je daar doen?'
Ik prikte lusteloos met mijn vork in de homp aardappelen. 'Gewoon, kinderen een leuke vakantie bezorgen. Beetje knutselen en spelletjes spelen. Vanmiddag had ik mijn sollicitatiegesprek via Skype. Over twee weken kan ik beginnen. Ik krijg een eigen caravan om in te wonen en na de herfstvakantie ben ik weer terug.'
Mijn moeder zuchtte diep. 'Wil je uit huis? Is dat waar dit om gaat? Ben je ons zat?' Haar stem klonk gepijnigd.
'Natuurlijk niet,' protesteerde ik. Ik hield echt van mijn ouders, zelfs van mijn onhandelbare tweelingbroertjes. 'Het is gewoon iets nieuws wat ik ga proberen.' Mijn vader kauwde bedenkelijk op een stukje slavink.
'Dat is anders niets voor jou.'
En dat was het ook niet.

Mijn mobiel trilde een tweede keer, gevolgd door een derde. Ik kon best proberen om hem uit mijn zak te halen, maar door dat te doen zouden mijn tassen verschuiven en misschien zelfs uit balans raken. Ze zouden op schoot vallen bij de vrouw naast me, die net enthousiast was begonnen aan een bakje fruitsalade. Mijn bagage zouden de aardbeien en bosbessen pletten, het sap zou gigantische, nooit-meer-uitwasbare vlekken op haar blouse maken en de vrouw zou verontwaardigd opspringen en me de huid vol schelden, terwijl de hele coupé mee genoot.
Dus ik bleef zitten waar ik zat. Oververhit, verkrampt en hopend dat ik het eindstation zou halen zonder halverwege in te storten.

De trein raasde verder. Ik had het warm, het gewicht van mijn rugzak, met daar bovenop mijn weekendtas, drukte loodzwaar op mijn lichaam en ik voelde een hevige kramp in mijn kuit opkomen nu ik mijn benen nergens kwijt kon. Naast me schoof de vrouw gemakkelijk onderuit, waarbij haar arm tegen de mijne stootte.
‘Oh, sorry,’ glimlachte ze. Ik lachte krampachtig terug, alsof het wel goed zat.
Het zat niet goed.
Mijn broekzak trilde opnieuw. Het liefst had ik al mijn tassen op schoot van de vrouw gedrapeerd, om te kijken wie me opeens populair genoeg vond om zoveel berichten achter elkaar te sturen. Die lijst was dramatisch kort.
Mijn Facebook account telde bijvoorbeeld vier vrienden. Daaronder vielen mijn ouders, Buurvrouw Jannie en het gezamenlijke account van Oom Huibert en Tante Irene. Instagram had ik verwijderd toen ik na vijf maanden nog steeds op nul volgers stond - afgezien van de vele botaccounts die me automatisch volgden en weer ontvolgden - en twitter had ik niet eens aangemaakt. Ik moest ondertussen wel tot een uitstervend ras behoren dat niet aan social media deed, al was het dan noodgedwongen omdat de maatschappij me nu eenmaal niet modern genoeg vond. Ik kende de laatste memes niet en hoorde pas van nieuwe artiesten als ze alweer oud nieuws waren. Er leek een hele wereld aan me voorbij te gaan op internet en ik kreeg het maar niet voor elkaar om erbij te horen en mee te doen.
Mijn mobiel trilde nog een keer, bijna beschuldigend. Alsof het wilde zeggen:
‘Krijg je eens een berichtje en dan kijk je nog niet eens.’ Ondertussen was ik er bijna honderd procent zeker van dat het mijn moeder in elk geval niet was. Er was maar één persoon in mijn leven die zoveel berichten achter elkaar kon sturen, en dat was niet iemand die ik heel lang wilde negeren.

Reacties (3)

  • NicoleStyles

    Omg die trein scène is zo hilarisch herkenbaar. Echt geniaal dit verhaal. Nu de rest lezen ^^

    1 jaar geleden
  • Frodo

    Ik hou iedere keer een beetje meer van Winter(bloos)

    1 jaar geleden
  • e_nnazus

    Dit hoofdstuk heeft me opgeslokt, zoals mijn hond een grote hap brokjes in één keer in zou slikken (maak je geen zorgen, ze krijgt haar eten in een balletje zodat ze dus niet te snel eet) en ik ben very excited voor het volgende hoofdstuk!

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen