Foto bij 169 - Emmeline

Over mijn zwangerschap wordt verder niet gerept. Naast mijn persoonlijke arts, die bevestigt dat ik in verwachting ben, hoort niemand over het leven dat in me groeit.
Dat is, met name, op mijn aandringen. Zelfs Eschieve en de koning mogen niets weten, de eerste die het moet horen is Lucien. Er mag geen enkel risico zijn dat hij het van een ander hoort.
De nachten voor ons vertrek naar Portugal slaap ik weinig. Ik spendeer uren starend naar mijn spiegelbeeld, enkel verlicht door kaarslicht, terwijl ik mijn handen over mijn buik laat glijden.
Als je héél goed kijkt, en jezelf vertelt dat de verdikking niet door een overdaad aan lekker eten komt, zie je écht een verandering in mijn postuur. Een verandering die daar enkel en alleen is om voor een nieuw leven te zorgen.
Ik stel me al voor hoe het kindje er uit zal zien, en hoe we hem of haar zullen noemen.
Het enige dat ik kan hopen is dat het kind gezond is, en dat het op Lucien zal lijken.
Ik weet hoe angstig hij is, maar ik hoop met alles dat ik in me heb dat hij van dit kind zal gaan houden, net zo veel als ik van hem houd.

De tocht naar Portugal is hels. Ik kan me niet herinneren dat hij zo vreselijk was, en bij elke hobbel draait mijn maag om.
Er worden nog geen vragen gesteld, al zie ik Eschieve regelmatig bezorgd naar me kijken als ik de wagen tot een halt moet roepen om over te geven.
Ze is jong, maar ze is wijs. Het zal niet erg lang duren voor het kwartje valt.
De reis duurt lang, te lang. Het beangstigt me - natuurlijk reist er, naast Pascalle en twee van mijn dames - een arts mee, maar hij zal niets kunnen doen als al het hobbelen er voor zorgt dat de baby deze reis niet overleeft.
De koningin was dan ook huiverig over deze reis, en drong me aan nog eens te overwegen of ik wel wilde gaan. Maar we weten niet hoe lang dit alles zal duren, en ik kan Lucien niet via een boodschapper laten weten dat hij vader zal worden.
Dat zou hem breken - en dat wil ik niet. Ik wil bij hem zijn als hij het hoort.
Maar, zoals het er nu uitziet, gaat dat nog wel even duren. Ik weet niet eens wanneer we vertrokken zijn, het voelt als een eeuwigheid geleden.
Eschieve slaapt veel, en ik hoor haar in het Frans mompelen als ze een van de zovele dromen heeft.
We kijken samen uit het raam, zien de eerste sneeuw vallen. Het is prachtig, maar zal onze reis ook nog meer vertragen. Sneeuw verpest veel, dat weet ik van alle keren dat mijn ouders mopperden. Het kan een beschaving afsluiten van de rest van de wereld, iets dat ik als kind heerlijk vond. Nu, echter, hoop ik dat de witte zooi smelt zodat we sneller bij Lucien zullen zijn. Zodat ik hem weer kan vasthouden, en hij mij.
De paarden rijden stapvoets, en ik zou zweren dat het sneller zou zijn om te gaan lopen - ware het niet dat ik dan geheid onderkoeld zou raken.
Het enige dat me optimistisch houdt zijn de liedjes van Eschieve, en de gedachte aan mijn kind.

Een maand moet het geweest zijn. Er is goed voor ons gezorgd onderweg, dat zeker, maar ik ben blij dat mijn voeten voor langer dan een paar uur vaste grond raken. Dat ik me zo kan laten baden, een groot diner zal kunnen nuttigen, zal kunnen slapen in een echt bed. En, dat ik zo Lucien zal zien.
Er is een boodschapper voor ons uit gegaan, om het Portugese hof op de hoogte te stellen van onze komst. Het is geen feestelijke gelegenheid, dat weten we allemaal, maar toch ben ik als een kind zo blij als het kasteel in zicht komt.
Natuurlijk komen ook de nare herinneringen omhoog, en proef ik heel even gal als mijn hersenen de beelden omhoog proberen te trekken, maar dat verdwijnt als... sneeuw voor de zon, eigenlijk, als Eschieve mijn hand pakt.
"We zijn er bijna," haar stem klinkt opgewekt. "Ben je blij?"
Ik knijp zachtjes in haar hand. "Heel blij."
"Mama keek ook altijd zo als papa lang weggeweest was," ze kijkt me aan, "en ze hem gemist had. En vooral als ze hem iets wilde vertellen..."
Haar blik wordt ondeugend, maar ze kijkt weg als ik oogcontact met haar wil maken. Natuurlijk weet deze jonge vrouw al lang wat ik geheim probeer te houden, ze is veel te slim.
"Zoals...?"
Ze kijkt me aan, een grote glimlach op haar gezicht, en neemt nu ook mijn andere hand vast. "Zoals dat ze zwanger was van Sebastien.." Ze laat haar ogen kort afglijden naar mijn buik, en kijkt me daarna weer aan.
"Je bent ook veel te slim, Eschieve.."
Ze grijnst en haalt haar schouders op. "Of jij praat in je slaap. Maar ik ben óók heel slim."

Ik spring bijna de koets uit als die tot een halt komt. Ik doe het alleen niet omdat het niet erg elegant is, anders was ik nu al lang gaan rennen.
Er staat buiten niemand op ons te wachten, het is te koud, maar er is ons verteld dat de koning, zijn zoon en prins Lucien ons binnen opwachten.
Zodra ik de koets uitgeholpen ben, en Eschieve haar arm in die van mij gevouwen heeft, weet ik niet hoe snel ik binnen moet komen.
Niet professioneel, en ook niet zoals het hoort, maar dat maakt me niet meer uit. Gelukkig gaat Eschieve net zo snel als ik, deels omdat het ijskoud is buiten.
Bij binnenkomst zie ik inderdaad de koning en Cecillio staan, maar mijn oog valt meteen op Lucien. Hij ziet er vermoeid uit, maar een grote glimlach breekt op zijn gezicht door als we oogcontact maken.
Ik handel de begroetingen aan het koninklijk huis zo snel mogelijk af, enkel zodat ik naar mijn Lucien kan. Mijn hart bonst ongeveer in mijn keel als ik hem vasthoud. We kussen niet, dat is niet netjes in gezelschap, maar we houden elkaar vast en dat is voor nu genoeg.

Vanavond worden we verwacht voor een diner, maar we krijgen eerst de tijd om ons op te frissen - iets dat hoog nodig is. Ik wil niets liever dan me laten baden, en doe dat dan ook. Het warme water omsluit mijn lichaam, en als niemand kijkt duw ik mijn buik boven het water. De bolling komt al iets meer naar voren, en ik draai met een vinger rondjes rond mijn navel.
Ik moet het Lucien vertellen, besef ik steeds meer, maar nu het zo dichtbij komt durf ik bijna niet meer.
Mijn dames kleden me aan, en niemand spreekt over mijn gewichtstoename. Hopelijk denken ze, nu nog, allemaal dat ik gewoon iets te veel gegeten heb.
Nog een uur tot het diner. Een uur voor dit gesprek.
Lucien ligt op ons gezamenlijke bed, een boek in zijn handen en zijn blouse licht geopend.
"Lucien," ik vlij me naast hem. Iets in me wil hem nu bespringen, het ruiken van zijn geur en het zien van zijn gezicht maken alle hormonen in me los, maar ik houd het in. Mijn vingers glijden over de ontblote huid van zijn borst. "Ik moet je iets vertellen."



Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen