Vier jaar geleden -ik was zestien - belandde ik in het ziekenhuis. Iets met een onhandige val met mijn fiets. Niets bijzonders, precies wat je van een onhandig kluns kon verwachten. Het gevolg was een hersenschudding, twee gebroken ribben, een gekneusde pols, een indrukwekkende verzameling aan blauwe plekken en een nachtje ter observatie op de kinderafdeling. Mijn moeder had aangeboden om te blijven slapen en me “te steunen” maar dat had ik afgewezen. Het was al erg genoeg om op de kinderafdeling te liggen, terwijl ik bijna volwassen was. Het was nog erger als je moeder je ook nog eens moest vergezellen. Bovendien waren mijn broertjes toen nog maar twee jaar en mijn vader werkte nachtdiensten. Ik kon niet van mijn ouders vragen om hun hele werkschema om te gooien, alleen maar omdat ik zo nodig de grond eens van dichterbij moest bekijken.
Meteen nadat ze weg waren, was ik in een droomloze slaap gevallen. Om de paar uur maakte een verpleegster me wakker, zogenaamd omdat dat zo hoorde na een hersenschudding. Ik vond het alleen maar vreselijk irritant en had het liefst geschreeuwd dat ze weg moest gaan en me met rust moest laten. Dat ik dat niet deed, was alleen maar omdat ik beleefd moest zijn. Het was niet de schuld van de verpleegster dat ik een hersenschudding had. Ze deed alleen maar haar werk.
Toen ik diezelfde nacht voor de zoveelste keer wakker werd, was het echter niet omdat iemand moest checken of ik nog wel leefde. Even staarde ik verward naar het plafond, niet wetend wat mijn slaap had verstoord. Was het een nachtmerrie? Een geluid? Stonden mijn hersenen op exploderen en probeerde mijn lichaam me alvast te waarschuwen?
'Niet schrikken.'
Ik schrok. Terwijl ik overeind schoot, protesteerden mijn ribben hevig en kreunend viel ik weer terug in de kussens.
'Daarom zei ik ook dat je niet moest schrikken.' De stem zuchtte diep.
In de hoek van de kamer zat een meisje, verveeld onderuitgezakt in haar stoel. Ze keek niet op en typte in een hoog tempo op haar mobiel.
'Sorry, maar wat doe je hier?' vroeg ik verward. Ze kon onmogelijk een verpleegster zijn, want ik schatte haar zo rond mijn leeftijd. Haar lange, blonde haar zat perfect in model en in het licht van haar mobiel zag ik dat haar gezicht prachtig opgemaakt was. De outfit die ze droeg, had waarschijnlijk het hele maandsalaris van mijn beide ouders gekost. Een patiënt die aan een nachtelijke zwerftocht was begonnen, leek me dus ook uitgesloten.
'Ik verveelde me,' zei het meisje.
'Nee, ik bedoel wat je hier doet. In mijn kamer. Om-' ik tastte naar mijn mobiel op het nachtkastje en spiekte even, '-drie uur 's nachts.'
Ze zuchtte weer en liet haar mobiel even zakken.
'Ik was nieuwsgierig. Zo beter? Dus ik besloot hier even te zitten om gezellig te kletsen, maar je sliep.'
'Het is drie uur,' herhaalde ik. Het was toch niet raar dat iemand 's nachts sliep? Toch? Waar kwam ze überhaupt vandaan?
Alsof ze mijn gedachten kon lezen, borg ze haar mobiel op in haar zak en sloeg haar benen over elkaar.
'Ik zit hier echt niet voor m'n lol, als je dat soms denkt. Mijn vader zou me vanavond eindelijk meenemen voor een vader-dochter avondje. Eerst uit eten, daarna een musical... Alles leuk en aardig. Niet dat ik iets heb met musicals, want ik krijg een beroerte van al dat dramatische gedoe op het podium.' Ze rolde met haar ogen en veegde een lok haar uit haar gezicht. 'Dus ergens halverwege, als dat mens op een balkon staat te brullen hoe Argentinië haar niet moet vergeten, gaat mijn vaders pieper af. Heeft één of andere idioot zichzelf door z'n kop geschoten. Dus wij die zaal uit. M'n pa reed zo snel weg dat hij me nog half vergat mee te nemen, en nu is hij al uren aan het opereren en zit ik hier m'n tijd te verdoen.'
Ik staarde haar verbluft aan. Ze gedroeg zich niet alleen onbeschoft, ze praatte ook zo.
'Is dat niet een beetje... hard? Die persoon gaat misschien dood.'
Het meisje haalde haar schouders op. 'Dat noemen we nou natuurlijke selectie. En nu staan ze daar met weet-ik-veel hoeveel man dat proces te dwarsbomen en is mijn hele avond naar de knoppen. Geeft natuurlijk niks. Ik zal wel weer een nieuwe Chanel tas krijgen, als goedmakertje.'
Ik wist niet eens hoe ik moest reageren. Natuurlijk wilde ik zeggen dat ze zich niet zo moest aanstellen. Dat haar leven misschien perfect was en dat dat niet wegnam dat een ander het ook zwaar kon hebben, maar de woorden kwamen simpelweg mijn strot niet uit. Haar gedrag was te bizar om met logica te beantwoorden.
Even was het stil. Het meisje had haar mobiel weer tevoorschijn getoverd en typte verwoed door, terwijl ik me bedacht hoe ik haar zo vriendelijk mogelijk weg kon werken.
'Als je het niet erg vind, ga ik weer slapen. Ik heb nogal hoofdpijn, snap je?' zei ik voorzichtig.
'Uhu. En last van je ribben. Moet een behoorlijke smak zijn geweest,' zei het meisje droog.
'Hoe bedoel je?' Het kwam er scherper uit dan de bedoeling was geweest.
'Oh, niks.' In het oplichtende scherm zag ik haar grijnzen. 'Ik bedoel gewoon dat je een behoorlijke smak moet hebben gemaakt om zo toegetakeld te zijn. Bijna alsof je niet echt met je fiets bent gevallen.'
'Ik ben onhandig,' mompelde ik.
'Zal vast.'
Ik telde langzaam tot tien. Wie dacht ze wel niet dat ze was? Mejuffrouw-boehoe-iemand-heeft-mijn-avondje-met-pappie-verstoord.
Mejuffrouw-maar-ik-krijg-in-elk-geval-een-nieuwe-tas-terwijl-er-iemand-ligt-dood-te-gaan.
Ik draaide me resoluut om. De pijn in mijn ribben was bijna ondragelijk, maar het kon me niets schelen. De boodschap zou in elk geval duidelijk zijn dat ze moest oprotten.

Natuurlijk bleef ze zitten waar ze zat.
'Ga je me nu negeren?' vroeg ze pesterig.
'Ik slaap.'
'Ik wacht wel tot die dikke troela van een verpleegster je weer wakker komt maken.'
Geïrriteerd draaide ik me weer om, de steken in mijn zij negerend.
'Ik bedoel dit niet rot-' dat bedoelde ik wel, '-maar kan je alsjeblieft ergens beneden gaan zitten.'
'Je heet Winter, toch?' Het meisje had haar telefoon weer opgeborgen en keek me geamuseerd aan.
'Hoe weet jij dat?' vroeg ik, verward door de plotselinge omschakeling.
Het meisje wees naar een bord, dat aan het eind van mijn bed hing. 'Daar staat het. Winter van Wijk. Aparte naam. Hoewel er ook Flinter van Dijk kan staan. Artsen schrijven altijd alsof ze vier flessen tequila bij het ontbijt drinken.'
'Sorry,' mompelde ik, al had ik geen idee waarom ik me verontschuldigde voor hoe ik heette. Ik zei wel vaker 'sorry' zonder nu eigenlijk precies te weten waarom of waarvoor.
Het meisje stond op van de plastic klapstoel en kwam elegant op me afgelopen. Met een dramatisch gebaar stak ze haar hand uit.
'Even opnieuw dan. Ik ben Zomer.'
'Alsof ik die nog nooit gehoord heb.' Ik wilde me alweer omdraaien, maar ze liet een schaterende lach horen.
'Nee, serieus. Ik heet echt Zomer. Bizar toch? Daarom was ik nieuwsgierig toen ik langs je kamer liep. Winter. Zomer. Tegenpolen, snap je?'
'Dat laatste geloof ik meteen,' zei ik terwijl ik haar schattend aankeek. Misschien probeerde ze nog steeds een mislukte grap uit te halen. Patiëntje pesten omdat je je verveelt, zoiets. Mensen haalden doorlopend grappen met me uit. Kauwgom in het slot van mijn kluisje stoppen, bijvoorbeeld. Pootje haken als ik langskwam.
'Kijk jongens, Winter is net languit op d'r smoel gegaan.' Lachen, gieren, brullen.

'Je gelooft me nog steeds niet,' zei Zomer grijnzend.
'Je zei net zelf dat het bizar is.'
'Maar niet onmogelijk. Misschien was het voorbestemd dat we elkaar zouden ontmoeten.'
'Ik geloof niet in lotsbestemmingen.' Dat was niet waar. Ik wachtte nog steeds op een tovenaar in een grijze outfit die zou opduiken en me een ring zou geven die ik naar Mordor moest brengen.
'Ik wel. Ik geloof dat die gozer zich vanavond voor z'n harses heeft geschoten, zodat wij elkaar konden ontmoeten. Daar moeten we wat mee doen.' Zomers stem klonk mysterieus en haar ogen schitterden. Ik schudde mijn hoofd. Ze was knettergek. Waarschijnlijk werkte haar vader hier niet eens en was ze gewoon ontsnapt van de psychiatrische afdeling. Mijn ogen gleden naar de alarmknop naast mijn bed. Eén keer drukken en een verpleegster zou haar terugbrengen naar waar ze dan ook vandaan kwam. Zomer volgde mijn blik.
'Wil je me serieus wegsturen?' vroeg ze. Er klonk iets van verdriet in haar stem en haar mondhoeken schoten heel even naar beneden.
'Nee, nee,' zei ik vlug. 'Ik had... eh... dorst.'
'Oh.' Meteen klonk ze weer opgewekt en met vrolijke passen liep ze naar haar tas, die kennelijk al die tijd onder de stoel had gestaan. Ze graaide er even in en toverde toen een flesje 7-up tevoorschijn, dat ze enthousiast aan me overhandigde. 'Tada! Ik heb er nog niet uit gedronken dus je hoeft je geen zorgen te maken om overdraagbare ziektes. Niet dat ik die heb, maar gewoon voor het geval je een hypochonder bent. Ben je dat?'
Ik schudde mijn hoofd en hield het flesje ongemakkelijk in mijn hand. Was het verstandig om een slok te nemen van iets dat me aangeboden werd door een volslagen idioot?
'Er zit geen vergif in hoor,' zei Zomer, toen ze zag dat ik geen pogingen deed om de dop eraf te schroeven.
'Natuurlijk niet. Dat zei ik ook niet.'
'Maar je dacht het wel.'
'Niet.' Om het te bewijzen haalde ik de dop eraf en nam een flinke slok. Het vocht bruisde in mijn mond. Ik hield niet eens van dranken waar prik in zat. Water en thee was meer dan genoeg om van te leven. Op school liep iedereen altijd met blikjes energydrank, wat zo mierzoet was dat mijn tong alleen al opkrulde als ik er aan dacht.
Ik slaagde erin mijn gezicht in de plooi te houden tijdens het drinken en gaf het flesje snel weer terug.
'Lekker. Dank je wel.'
Zomer gooide haar nek achterover en schaterde het uit.
'Je vond het niet te zuipen. Leugenaar!'
'Sorry,' zei ik snel, maar ik voelde een kleine glimlach rond mijn mond krullen. Die glimlach werd groter en groter, tot ik echt moest lachen en mijn ribben me er op pijnlijke wijze aan herinnerden dat ze gebroken waren. Ik kreunde. Zomers lach stierf weg.
'Je bent echt niet van je fiets gevallen.'
'Hoe weet je überhaupt dat ik van mijn fiets gevallen ben?'
Zomer knikte met haar hoofd naar de deur. 'Ik ken al die verpleegsters. Altijd als ik hier ben, doe ik even een ronde om gedag te zeggen.'
'En vinden ze het dan ook goed dat je bij patiënten naar binnen sluipt?' vroeg ik sceptisch. Zomer grijnsde.
'Natuurlijk niet. Maar ik had verder toch niets te doen. Dus, ben je nou met je fiets gevallen of niet?'
Ik zweeg en plukte ongemakkelijk aan de stof van het dekbed. Wat kon ik zeggen? Niet de waarheid. De waarheid was te zwaar. De waarheid zou mensen waar ik van hield in moeilijkheden brengen.
'Dan zeg je het niet,' zei Zomer, toen ik na een minuut nog steeds niets gezegd had. 'Maar je mag best mijn nummer hebben. Je weet wel, voor als je er ooit wel over wilt praten.'
Ik zei niets. Wat moest ik met het nummer van iemand die ongetwijfeld duizend keer hipper was dan ik? Waarom zou zo iemand überhaupt zijn tijd verdoen? Moest ik haar ego oppeppen? De knappe vriendin en de lelijke?
Aan de andere kant had ik echt niets meer te verliezen. Ik had geen vrienden. Lager dan dit kon ik al niet meer zinken. En ik was zo klaar met de eeuwige eenzaamheid. Het nooit kunnen praten met iemand van mijn leeftijd. Ik wilde een beste vriendin, zoals de hoofdpersonages in boeken en films ze ook hadden. Dat Zomer niet helemaal goed in haar bovenkamer was, stond al vast. Maar misschien zou ze best meevallen als we elkaar beter leerden kennen.
Ik stak mijn hand uit. 'Geef je mobiel maar.'
En met een triomfantelijke grijns liet Zomer het apparaat erin vallen.

Reacties (2)

  • NicoleStyles

    alleen maar omdat ik zo nodig de grond eens van dichterbij moest bekijken
    😂😂 geniaal.
    Zomer dat wordt nog een verhaal apart zo te lezenxD

    1 jaar geleden
  • Frodo

    Ah, Zomer, ik vind haar zo fascinerend!

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen