Alsof ze op instorten stond, duwde Rosie haar autosleutels in mijn hand.
‘Naar het ziekenhuis,’ kreunde ze.
‘Ja hallo!’ riep ik geschrokken uit. ‘Ik kan helemaal niet autorijden!’
Als ik niet zulke snelle reflexen had gehad, was Rosie omgetuimeld en in de goot beland. En dan had ze ook nog geluk dat ik sterk was, want Rosie was nou niet bepaald een veertje.
‘Kun je geen ambulance bellen dan?’ vroeg ik, half in paniek en half erg onwillig om op mijn vrije avond zulke bullshit mee te moeten maken.
Maar het wijf kon allemaal maar kreunen en snikken en leek elk moment door haar benen te zakken.
‘Jezus, prima dan. Welke auto is van jou?’
Met een trillende hand wees ze op een kleine, zilverkleurige auto. Het zag er uit als een gammel model dat op z’n minst een aantal keer tegen een paal was gereden. Misschien een paar keer langs de stoep geschraapt, of langs een andere auto.
Zoals ik al eerder zei, was Rosie de lichtste niet, en was het dan ook wel eventjes een karwei om haar de auto in en de achterbank op te krijgen.
Godzijdank was de auto een automaat, en hoefde ik me geen zorgen te maken om het schakelen. Zo was het eigenlijk toch gewoon een soort botsauto? Ik was wel vaker op de kermis geweest.

Eenmaal, gelukkig heelhuids en zonder deuken, aangekomen bij het ziekenhuis, ging alles allemaal behoorlijk snel. Rosie werd afgevoerd, en ik bleef achter in de wachtkamer.
Het was al laat, en ik had de laatste trein allang gemist. Maar langer in die wachtkamer zitten wilde ik ook niet, dus had ik een kamer in een dichtstbijzijnd hotel geboekt, en daar met tegenzin overnacht.

De stemming was bedrukt, koud en klam toen ik Rosie’s kamer binnen stapte.
Ondanks dat ik de dag ervoor pissig was geweest, kon ik me die ochtend toch ook best bedenken dat het niet Rosie’s schuld was dat ze opeens moest bevallen. En ik was aardig genoeg geweest om te besluiten even langs te komen voordat ik de trein naar huis zou pakken.
Maar nu voelde het alsof er iets mis was. Geen ballonnen, geen versiering, geen bezoek, geen blije mensen. Toen ik Rosie in haar bed zag zitten, was haar gezichtsuitdrukking leeg, net als haar armen waar geen nieuwgeboren baby in lag. Haar make-up was vervaagd en haar haren waren niet golvend en stralend zoals anders. Er zaten gigantische wallen onder haar ogen.
‘Hoi,’ zei ik aarzelend, en ik nam plaats op een stoel naast het bed.
‘Oh John,’ piepte ze, en tot mijn afschuw begon ze te huilen.
Langzaam, maar voordat ze het zelf zei, kon ik raden dat er iets fout was gegaan.
‘Hij is dood,’ snikte ze.
Ondanks dat ik niks voor deze foetus gevoeld had, deed het me toch pijn om te zien dat mijn collega zo van streek was. Mijn borstkas voelde plots een beetje zwaar, alsof er zware pudding in gegoten was. Het was gek om voor het eerst echt iemand anders’ verdriet te voelen, er mee te sympathiseren, in de plaats van enkel van een afstand toe te kijken zoals ik mijn hele leven gedaan had.
Een beetje ongemakkelijk, maar toch meelevend, klopte ik even op haar hand.
‘Is het erg dat ik,’ begon Rosie, ‘...dat ik me opgelucht voel?’
‘Wat?’
Rosie veegde haar wangen droog en zei trillerig: ‘Ik weet niet of ik het aan had gekund, zo’n tweede kind. Ik sta soms al met het handen in het haar bij het opvoeden van Jayla, en om naast een autistische kleuter ook nog een pasgeboren huilbaby te hebben... Maar ik had dat arme kind toch ook niet weg kunnen geven voor adoptie? Misschien is het maar beter zo...– nee, nee dat kan ik niet zeggen. Ik vind het verschrikkelijk dat hij dood is. Maar toch...’
Ik knikte even om begrip te tonen. Wat moest ik anders zeggen? “Blij dat je ongeboren kind dood is”? Ik wist niet of ik haar nou moest feliciteren, of condoleren. Misschien wel geen van beiden.
‘Kleine Jayla is bij mijn ouders,’ vertelde Rosie. ‘Ik vraag me af hoe zij het nieuws zal verwerken. Ach, ze begrijpt er toch geen ene snars van, de arme stakker. Het is nog maar een kind.’

Ik bleef nog even zitten, maar moest me toen haasten om de trein te halen.

Rosie daagde die volgende week niet op bij het werk, en tot mijn verschrikking was het over een week Valentijnsdag. Ik viel zowat om van de sterke geur van rozen en zoete parfum toen ik op een ochtend binnenkwam. Giechelige tienermeisjes en vermoeide mannen van middelbare leeftijd stroomden in en uit om rozen voor hun geliefden te kopen.

Twee dagen voor Valentijnsdag kwam Rosie weer opdagen. En haar vertoning verbaasde me.
Ze leek een stuk levendiger en vrolijker dan ik haar daarvoor ooit had gezien.
Voor de bevalling had ze altijd een beetje grauwig geleken, alsof ik haar vanachter een vies raam bekeek. Ze had er uit gezien alsof het altijd laat in de avond was; moe, en alsof haar make-up en haar dat in de ochtend nog netjes was geweest langzaam begon te vervagen en uit te zakken.
Maar nu leek het dat iemand het raam had schoongeveegd. Ondanks dat ze, wat begrijpelijk was, nog niet door de zaak stond te dansen, leek ze nu een stuk meer te stralen.
Haar haren dansden met elke stap die ze zette, en haar rode lippenstift zorgde er voor dat ze er levendig uit zag. Zonder de bolle buik was ze plotseling niet dik meer, maar enkel nog gewoon een beetje... vol. Maar juist op de goede plekken waar een vrouw rondingen hoorde te hebben.
Al met al leek ik haar plotseling een stuk meer te mogen, nu ze me minder deed denken aan een sippe plofkip waar ik medelijden mee had.
Bovendien had ik respect voor haar, omdat ze zo goed met het verlies van haar ongeboren zoon om leek te gaan. Natuurlijk zei ik dat niet hardop, maar eigenlijk was ik opgelucht voor haar dat dat kind dood was.

Maar haar tante leek dat nog niet helemaal te begrijpen, dat ze beter af was zo. Claire behandelde haar bijna nog meer als een porseleinen beeldje als daarvoor.
‘Ik word een beetje gek van haar,’ had Rosie me verteld toen we in de lunchpauze samen stonden te roken.
‘Ik vind het ontzettend aardig van haar dat ze wilt dat ik ok ben, maar het wordt nu irritant, als ze steeds maar vraagt hoe het met me gaat. Het is een tijd geleden dat ik eens lekker de handen uit de mouwen heb kunnen steken en hard heb kunnen werken, maar ze lijkt het nog steeds te vertikken mij zwaarder werk te laten doen. Ik ben al lang opgeknapt van de bevalling, hoor. M’n doos ligt al lang niet meer aan stukken.’
Ik proestte en Rosie grijnsde.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen