Foto bij Hoofdstuk 1  ||1676||

Ik had gezegd de 12de maar een bonus hoofdstukje mag ik toch wel geven?
Ik hoop dat jullie het wat gaan vinden en geef vooral jullie mening!!


1676
Cara Victoria Lagos

Zo snel als ik kan ren ik tussen de groene bomen door en voel ik de wind mijn blanke huid strelen. De elegantie die ik heb als ik voor een optakel moet uitwijken blijft me steeds weer verbazen. Ik ben totaal nog niet gewend aan dit lichaam en ik heb z’n gevoel dat het ook nooit echt zal gaan gebeuren. Ik blijf na al die jaren nog steeds het gevoel hebben dat dit niet mijn lichaam is. Dat ik dit niet echt ben en daar heeft mijn gave niet echt iets mee te maken. Ik schrik op uit mijn gedachten als ik een groep paniekerige herten hoor rennen. Ik kijk opzij en zie die beesten met een noodvaart mij voorbij rennen. Waarom zouden die beesten zo hard rennen? Zo snel als ik kan schiet ik een boom in en houd mezelf zo stil mogelijk. Wat maakt die beesten zo bang? Nieuwsgierig scan ik met mijn ogen nauwkeurig de prachtige omgeving af en zie dan het wezen wat de herten zo heeft opgejaagd. Het is een man! Een prachtige man van rond de twintig. De man beweegt zo snel als het licht, hij beweegt zo lenig als een slang die zichzelf voortbeweegt in de richting van zijn prooi en hij is zo mooi als een zonsopskomt in de zomer aan het strand. Voor het menselijk oog zou de man nu niet te zien zijn, maar voor mij is het een makkie. Ik zie ieder perfect detail van zijn lichaam en elke beweging die de man maakt grift ik in mijn geheugen. De man ontbloot hongerig zijn tanden en springt dan op een van de kansloze herten af. Soepel en zonder een greintje genade draait de man het dier zijn nek om. Slap valt het beest neer op de grond en zet de man zijn tanden in de harige huid van het dier. Ik zie hoe er wat bloed over de huid van het dier naar beneden glijd en gefascineerd leun ik iets meer in de richting van het tafereel. Waarom zou hij dierenbloed willen drinken? Vraag ik mezelf af maar meer gedachtes kan ik er niet meer over los laten. De man duwt het dode dier van zich af en veegt zijn mond vlug af. Voor een seconden zie ik hoe de man triest naar het dode dier voor zijn voeten staart, maar al snel herpakt hij zicht en verdwijnt hij weer tussen de bomen. De meeste wezens van onze soort reizen in kleine groepjes omdat we anders te kwetsbaar zijn. Waarom hij dan niet? Zou hij alleen reizen omdat hij net zoals ik anders is? Voorzichtig laat ik mezelf uit de boom glijden en zodra mijn blote voeten de mossige ondergrond voelen beging ik weer te rennen. Zo hard als ik kan ren ik in dezelfde richting op als de man. Ik ben nieuwsgierig naar de hem geworden. Ik wil weten wat hem zo uniek maakt. Ik wil weten waarom ik me zo aangetrokken tot hem voel. Ik zoek met mijn ogen opnieuw nauwkeurig de omgeving af en verderop zie ik de man opnieuw een hert leegdrinken. Zouden de dieren zijn voedingsbronnen zijn? Ik ren zo stil als ik kan dichter naar de open plek waar de man met het hert staat. Ik laat mijn ogen nog een keer over de man heen glijden. Hij heeft een bleke marmeren huid die op dit moment kleine schitterende diamantjes bevat, korte goudblonde haren die netjes naar achteren zijn gekamd, twee honingkleurige ogen die een en al eenzaamheid en verdriet uitstralen en het bijzonderste van heel de man is de witte dokters jas die hij draagt. Nieuwsgierig stap ik tussen de bomen uit om hem nog eens wat beter te kunnen bekijken. Ik voel hoe de wind van achteren langs me heen strijkt en met een ruk kijkt de man me aan. Zijn honingkleurige ogen heeft hij angstig in mijn ogen geboord. Zwak pers ik een glimlach op mijn gezicht en zet dan nog wat stappen in zijn richting.
‘Zijn uw ogen honingkleurig omdat u zich met dierenbloed voed?’ vraag ik de man zachtjes, mijn nieuwsgierigheid niet meer te onderdrukken. Ik zie de verbaasdheid op de man zijn gezicht, maar vlug trekt hij zijn marmeren gezicht weer in de plooi en knikt dan langzaam naar me. Heel langzaam zet ik wat stapjes naar rechts en bekijk de man noch iets beter. Elke lichte beweging die ik maak volgt de man behoedzaam met zijn ogen. ‘Waarom voed u zich met dierenbloed?’ vraag ik de man zo zacht als mogelijk is. Zo goed mogelijk als ik kan probeer ik een rustgevende houding aan te nemen. Ten eerste om de man zicht op zijn gemak te laten voelen en om mijn enthousiasme zo veel mogelijk te onderdrukken. Ik wil niet dat de man me niet vertrouwd en wegrend. Hij is veels te interessant om hem te laten vluchten. De man gaat langzaam wat rustiger staan en zucht dan zachtjes. Het klinkt als een opgeluchte zucht alsof hij blij is dat ik me gewoon gedraag.
‘Omdat ik geen moordenaar wil zijn.’ Is zijn logische maar korte antwoord op mijn vraag. Zijn zachte mannelijke stem klinkt als muziek in mijn oren. Hij klinkt als een wijze volwassene.
‘Ik snap u helemaal.’ Zeg ik waarop de man me verbaast aan kijkt. ‘Een mens vermoorden is een gruwel daad. Het betekend dat je ziel langzaam word verduistert en een voor een uitstukken word gescheurd. Elke moord die je zult plegen zal je achtervolgen voor het leven. Langzaam zal je wegrotten tot er niks meer van je over zal zijn.’ Leg ik de man uit waarop de man zwak naar me glimlacht en dan begrijpend knikt. ‘En zoals het er nu uit ziet duurt ons leven nog wel even.’ Zeg ik waarop de man opnieuw knikt en een paar stappen in mijn richting zet. ‘Heeft u al ooit iemand vermoord?’ vraag ik hem waarop hij rustig zijn hoofdschut. ‘Ik ook niet.’ fluister ik zachtjes terug en meteen staren de twee goudkleurige ogen van de man me verbaast aan. Hij laat zijn ogen over mijn lichaam glijden en kijkt me dan met een verbaasde uitdrukking aan. ‘Ik weiger om maar een enkel levend wezen te vermoorden. Het is vreselijke gedachten om je eigen soort als voedselbron te gebruiken.’
‘Waarom hebben uw ogen dan nog de felrode kleur net zoals die van een newborn?’ vraagt de man me waarop ik zwak naar hem glimlach. Ik draai me langzaam van de man weg en stap weer tussen de bomen.
‘Ik leef op menselijk voedsel.’ Fluister ik zachtjes wetend dat mijn stem de man toch wel zal bereiken. ‘Het geeft me niet alle kracht die ik nodig heb, maar ik kan er op leven.’ Ik hoor zijn zacht voetstappen mijn kant op komen en zwak begin ik te glimlachen terwijl ik langzaam tussen de bomen door stap. De man haalt me al vlug in en komt voor mijn neus weer tot stilstand. Bewonderend bekijkt hij me van top tot teen. Ik heb het gevoel alsof ik een schilderij ben waarvan hij elk detail in zich wil opnemen. Na een lange tijd naar elkaar gestaard te hebben steekt de man zijn marmeren hand naar me uit en kijk ik er even verbaast naar. Voor even kijk ik de man weer aan maar leg dan toch mijn hand in zijn bleke, sterke hand.
‘Mijn naam is Carlisle Cullen.’ Zegt de man terwijl hij een buiging voor me maakt en een kus op de rug van mijn hand drukt. Een glimlach kruipt er op mijn gezicht. Ik maak een reverence voor de man en kijk hem vanonder mijn zwarte, lange wimpers aan.
‘Cara Lagos.’ Stel ik mezelf zachtjes aan hem voor. Glimlachend knikt de man en laat dan mijn hand weer voorzichtig los. Zonder nog iets te zeggen stap ik de man voorbij en stap ik weer veder dieper de bossen in. De man komt zwijgend langs me lopen en verbaast kijk ik hem aan. Ik zie hoe de man even geruststellend naar me glimlacht en dan om zich heen begint te kijken. Misschien kan ik wil even samen met hem reizen. Nu heb ik tenminste gezelschap en iemand die me een beetje begrijpt. Als ik het tijd vind en echt bij de man weg wil gaan zeg ik dat of ga ik gewoon. Ik ben niks aan de man verplicht.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen