“Het is de tijd van de verkiezingen. Wie van jullie is er al naar de stembus gelopen en heeft gestemd?” De donkerbruine ogen van de professor glijden over de tribune voor hem. Er zitten ongeveer tweehonderd studenten in de te klamme collegezaal, waarvan er zo’n negentig procent op dit moment zijn of haar hand opsteekt. “Magnifiek, zo’n groot aantal. Ik wil u graag complimenteren, want stemmen is belangrijk.” Vincent, wiens knieën tegen de stoel voor hem op de tiende rij van achteren zijn gedrukt, zucht. Hij heeft er een hekel aan als docenten aan de universiteit de studenten met u aanspreken. Voor zijn gevoel is het te overdreven. De studenten zijn immers maar simpele studenten, punt. “Mag ik u vragen, welke overwegingen heeft u gehad waarmee u uw keuze kunt onderbouwen? U, wellicht?” Zijn open hand wijst naar de knot op de vierde rij van voor.
      “Ik? Sorry, ik stak mijn hand niet op.”
      ”Mijn excuses. Ik dacht het tegenovergestelde. Toch zou ik het leuk vinden uw mening te horen.”
      Van de achterkant zie ik haar schouders zakken. “Ik heb niet gestemd. Ik heb mij niet in de politiek verdiept. Ik heb respect voor de politiek en dit land, maar ik ben neutraal en maak geen keuze voor een partij of voor een aangesteld iemand.”
      De professor kijkt de knot net iets te lang aan. De knot wendt haar blik respectvol af. De knot is anders. Ze heeft respect, ze kan zich beheersen. Ze vloekt nooit. Ze zit bij Vincent in enkele werkcolleges en heeft zich telkens netjes voorbereid. Vincent kan hier nog wat van leren. Daarnaast kan hij haar naam een keer uit zijn hoofd leren. Of vragen. Tot nu toe noemt hij haar in zijn hoofd gewoon de knot. En de knot is anders dan alle andere knotten, staarten of losse haren.
      Op dat moment voelt Vincent zijn mobiel op mijn schoot tweemaal trillen. Hierdoor hoort hij de aankondiging van een pauze niet. Vincent krijgt een foto doorgestuurd in de groepsapp van het studentenhuis waar hij doordeweeks woont. POST wordt er aangekondigd, met een afbeelding van de mat met daarop drie wit-paarse enveloppen, een uitnodigingsfolder voor een of andere bijeenkomst en de krant van vanochtend – waar Vincent anderhalf uur geleden met een grote stap overheen is gegaan. Scheelt weer een keer bukken.
      kak – Ali (huis)
      die paarswitte zijn voor mij – Ali (huis)
      Alweer een bekeuring? – Stan (huis)
      Ha! Alweer – U
      Ik ben bang. Of ik heb drie keer mijn VOG ontvangen… – Ali (huis)
      Gedurende de resterende drie kwartier in de collegezaal worden de studenten genegeerd en wordt er enkel gepraat door meneer de professor zelf. Zodra de laatste dia met een cliché reusachtig vraagteken in beeld komt, stijgt het geroezemoes en pakt iedereen de rugtas in. Er staat al enkele studenten op, wat te horen is aan de dichtklappende klapstoeltjes. Student voor student stroomt de zaal leeg. Vincent hoort bij de laatste paar studenten die de gang op loopt.
      ”Starry, starry night. Paint your palette blue and gray.”
      ”Look out on a summer's day.”
      ”With eyes that know the darkness in my soul.”
      Het tweetal dat Vincent op de gang staat op te wachten, schiet in de lach. Ook Vincent doet mee. De eerste paar keer vond hij het vervelend dat de twee klasgenoten waarmee hij het best kon opschieten, telkens zijn liedje inzetten als ze op hem staan te wachten. Echter, na een keer of twintig begon hij het als een teken van liefde te zien en begon hij het te waarderen.
      ”Yes, jullie hebben me gemist!” roept Vincent uit.
      ”Waarom ging je zo ver naar voren zitten? Alleen nerds gaan op de voorste rijen zitten.”
      ”Achterin was alles vol! Bovendien, ik zat op de tiende rij van achteren. Dat is heus geen nerdenplek, hoor. Als jullie volgende keer een plek voor me vrijhouden, is er niets aan de hand.”
      ”Als jij de volgende keer vroeger je nest uit komt, komt het ook allemaal goed.”
      Vincent doet een dreigende stap naar een van zijn vrienden, maar die stapt grijnzend achteruit en houdt de stille, derde vriend als een schild voor zich. “Schijterd,” zegt Vincent. Hij steekt zijn tong uit en hijst zijn rugtas over zijn schouder.
      Een tikje op diezelfde schouder doet hem omkijken. “Sorry, zou ik er langs mogen?”
      Yes! De knot!
      ”Sure,” hoort hij zijn vrienden tegelijktijdig mompelen. Vincent voelt een hand om zijn arm die hem meetrekt, maar hij blijft staan.
      ”Hoe heet je?” hoort hij zichzelf vragen.
      Ze kijkt hem vriendelijk aan. Vincent vermoedt dat zijn vrienden een aantal vraagtekens boven hun hoofd hebben, zoals je in stripverhalen ziet. Toch laat hij zich hier niet door van de we wijs brengen, en wacht op haar antwoord. Haar spijkerbroek heeft een gat bij de linkerknie, maar geen ordinair groot gat. Haar Nikes zijn schoon en haar T-shirt laat geen décolleté zien. Haar donkergroene vest komt tot onder haar knieën. “Hoe heet jij?”
      Hij glimlach. Ze is niet zijig, gelukkig. ”Ik ben Vincent.”
      ”Ik ben laat. Voor mijn volgende college. Sorry.” Ze glipt tussen hem en zijn vrienden door en beent de gang door. “En ik heet Udme, by the way,” roept ze over haar schouder naar Vincent toe. Op een stevig tempo gaat ze de trap af, maar niet voordat Vincent ziet dat er een foldertje uit haar halfopengeritste tas dwarrelt.
      Dan ligt het op de kop op de vloer, in de grotendeels lege gang.
      ”Wat deed hij?” fluisteren zijn vrienden.
      Vincent loopt door de gang en bukt voor het eerst die ochtend om de post op de rapen. Het is een uitnodiging. Er staan blije mensen op de voorkant. Vincent vouwt de uitnodiging open en voelt dat zijn interesse wordt gewekt door de afbeeldingen. De mensen zien er zo vriendelijk uit. Anders. Eerlijk en blij. 19 april. De herdenking van Jezus’ dood. Interessant! Daar wil Vincent meer over weten. En die mensen. Ze zien er anders uit. Vincent leest dat de herdenking plaatsvindt in de koninkrijkszaal van Jehovah’s getuigen en leest dat het gratis is.
      ”Jongens, hebben jullie 19 april al iets te doen?” roept hij achterom.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen