(Ja, ik ben hier geswitched naar de tegenwoordige tijd. Kwam er later pas achter dat dit me toch iets beter ligt)

Het volgende station wordt omgeroepen. Tot mijn grote opluchting zie ik dat de vrouw opstaat en door het gangpad richting de uitgang loopt.
Ik wacht dertig seconden. Dat moet voldoende zijn om niemand om me heen het idee te geven dat ik al meer dan een uur wanhopig heb afgeteld tot het moment dat ze eruit moet. Normaal gesproken zou ik me eveneens zorgen maken om hoe ik op zou moeten staan als ik er eerder uit had gemoeten dan zij. Hoe zou ik in hemelsnaam al deze spullen in een paar seconden langs haar heen krijgen, zonder te stuntelen of haar per ongeluk knock-out te slaan met mijn rugzak? Maar die stress blijft me deze keer bespaard.
Met een zucht van verlichting gooi ik al mijn spullen op de stoel naast me en waai mezelf met mijn hand wat koelte toe. Ik weet dat ik er verschrikkelijk uit zie. Mijn gezicht moet onder de rode vlekken zitten en ik snak naar een fles deodorant. De mobiel in mijn broekzak is het afgelopen uur nog een stuk of twintig keer afgegaan, maar ik neem me voor om pas te kijken als ik uitgestapt ben. Als het echt Zomer is, dan is ze inmiddels flink kwaad omdat ik al die tijd niet gereageerd heb.
Er stappen weinig nieuwe mensen in en er komt gelukkig niemand meer naast me zitten. Over een kwartier zouden we op het eindstation moeten zijn. Dan heb ik twintig minuten om de bushalte te vinden (alle tijd, dus ik hoef niet eens in paniek te raken) en volgt er nog een busreis van drie kwartier gevolgd door een half uur lopen naar Camping Heijdenveld. In mijn rugtas zitten drie volledig opgeladen powerbanks, voor het geval mijn mobiel het begeeft en ik geen navigatie heb en dus aan een vreemdeling de weg moet vragen.
Ik kan nog steeds terug. Ik hoef alleen maar al deze bagage naar buiten te slepen en op de volgende trein te wachten. Richting huis. Richting veiligheid. En dan?
Dit hele gedoe was eigenlijk niet meer dan een impulsief besluit, waar ik nu vreselijk veel spijt van heb. Impulsiviteit is niet mijn ding. Ja, ik koop wel eens op goed geluk een boek op internet zonder eerst de recensies te lezen. In een gekke bui neem ik een kop bosvruchten thee, in plaats van de gebruikelijke rozenbottel. Maar verder doordenk ik elke stap in mijn leven uitvoerig. Ik weeg elk mogelijk scenario af (met weinig positieve uitkomsten en vooral heel veel de-wereld-vergaat-als-ik-dit-doe theorieën) en op basis daarvan neem ik een beslissing.
Dus ik kan het mijn moeder niet echt kwalijk nemen dat ze verbaasd en ongerust was toen ik haar over dit baantje vertelde. Het verbaast mij namelijk ook nog steeds.


Ik ben altijd jaloers geweest op mensen die een soort natuurlijke gratie lijken te bezitten. Dat is waar ik aan denk als ik zachtjes vloekend met mijn koffer en tassen uit de trein kom storten. Een paar mensen kijken toe hoe ik loop te stuntelen en ik voel het bloed wederom naar mijn wangen stijgen.
Fijn, nu lacht iedereen me ook nog eens uit. Niet hardop, maar in hun hoofd. Een intense zelfhaat golft door me heen, maar die besluit ik nog even te parkeren. Soms lukt dat. Dan stel ik die gevoelens nog even een paar uur uit tot ik helemaal alleen ben en mezelf zoveel kan afstraffen als maar mogelijk is. Maar nu moet ik de goede bushalte vinden, zover mogelijk uit de buurt van andere mensen komen en die fles deodorant uit mijn rugzak halen.
Met mijn koffer achter me aan en kromgebogen door het gewicht van de tassen loop ik naar de lift. Ik weet dat andere mensen me nu afkeurend aankijken. Ik voel de blikken branden.
Jonge meid die prima kan lopen, maar te lui is om te trap te nemen.
Er flitst een beeld in mijn hoofd waarin ik gillend met al mijn bagage van de trap val en het gelach schalt in mijn oren. Soms moet je van twee kwaden het minste kiezen en dat is precies wat ik hier probeer te doen.
Het stinkt in de lift en er hangt een besmeurde spiegel waar ik wanhopig niet in probeer te kijken, bang voor een mentale instorting als ik in deze toestand geconfronteerd wordt met mijn uiterlijk.
Adem in, adem uit.
Als de deuren open glijden, blijf ik versteend staan. Het was niet druk op het perron, maar hier beneden wel. Iedereen loopt door elkaar heen. De meeste mensen praten en lachen. Anderen trekken een sprintje om hun trein te halen. Ik probeer een veilige route te vinden waar ik kan lopen zonder in de buurt van iemand anders te komen, maar die is er simpelweg niet. Mijn ogen schieten naar de uitgang. Het is misschien een meter of twintig. Twintig meter waarin ik me door deze massa heen moet beuken zonder iemand aan te raken, zonder ze ook maar een centimeter in mijn persoonlijke ruimte te laten. Dat redt ik niet. Nooit.
Voorzichtig stap ik de lift uit en kijk schichtig om me heen. Hoe ga ik dit doen? Als de grond zich nu eens kon opensplijten en me kon opslokken. Als Gandalf, met zijn magische krachten, een adelaar voor me kon oproepen die me in één keer naar de camping kon vliegen. Sterker nog, ik zou zelfs nog liever op de rug van een Warg me er naartoe laten rijden, achterna gezeten door Nazgûls.
Met mijn blik strak op de grond gericht, begin ik te lopen. De ene voet voor de andere. Snel, maar niet zo snel dat ik de aandacht kan trekken van voorbijgangers. Iemand botst tegen me aan. Er klinkt een 'sorry' maar ik ben al doorgelopen. De plek waar die persoon me geraakt heeft, brandt op mijn huid. Niet stoppen. Doorgaan.
Halverwege raak ik buiten adem.. Mijn spieren zijn verkrampt, het zweet stroomt van mijn voorhoofd en de grond lijkt te draaien.
Nog een paar meter.
In mijn hoofd is alles zwart. Ik weet niet waar ik heenga, alleen maar dat ik rechtdoor moet blijven lopen. Honderden ogen loeren mijn kant op. Elke beweging wordt in de gaten gehouden.
Ik snak naar adem. De vrouw die ik haastig passeer, lacht ergens om. Om mij?
Ze lacht om mij. Ik weet het zeker.
En net als ik denk dat ik in elkaar ga storten, glijden de schuifdeuren van de uitgang open en sta ik in het stralende zonlicht. De zenuwen gieren door mijn lijf en ik hijg alsof ik de marathon heb gerend, maar ik ben er. Vrijwel onmiddellijk na dat besef, wordt ik overvallen door een gevoel van schaamte.
Waarom ben ik zo?
Wat is er mis met mij?



'Gaat het wel goed, lieverd? Je klinkt buiten adem.' Mijn moeder heeft een bezorgde klank in haar stem. Ik bijt op mijn lip.
'Oh, dat is niks. Ik moest rennen voor de bus, maar die is net zonder mij weggereden,' zeg ik. Ik haat het om tegen haar te moeten liegen, maar ik wil niet dat ze zich onnodig zorgen maakt.
'Kom je nu niet te laat dan?' vraagt ze. 'Dat zou niet netjes staan op je eerste werkdag.'
'Ik begin morgen pas, mam. Vandaag moest ik er alleen voor vijf uur zijn, dus ik heb nog alle tijd.'
'Het staat toch wat netter als je er vroeg bent.'
'Dat weet ik ook wel.'
'Ik zeg het alleen maar. We hadden je graag weg willen brengen, dat weet je toch?'
Ik knik en realiseer me dan dat ze dat niet kan zien.
'Dat weet ik, maar het was echt niet nodig. Dan zijn jullie je hele dag kwijt en Storm en Sky vinden het vreselijk om zo lang in de auto te moeten zitten.'
'Maar nu weten we helemaal niet waar je terecht komt!' Behalve dan dat mijn ouders het hele internet ondersteboven hebben getrokken om alle informatie over de camping te bekijken. Ze weten beter waar ik straks terecht kom dan ik.
'Als je vanavond voor elf uur niets van me gehoord hebt, dan mag je de politie bellen,' probeer ik haar gerust te stellen.
'Dat is niet grappig, Winter!'
'Sorry. Het komt wel goed.' Dat laatste weet ik nog niet zo zeker.
'Vooruit dan maar,' zucht mijn moeder,'maar bel me meteen als je aangekomen bent!'
'Tuurlijk, mam. Ik hou van je.'
'Ik ook van jou, lieverd.'
Ik wacht tot ze de verbinding verbroken heeft en stop dan mijn mobiel weer terug in mijn zak. Zomer heeft inderdaad een enorme hoeveelheid berichtjes achtergelaten, maar ik heb ze nog niet gelezen. Ze werd al boos toen ik een keer na twee minuten nog niet gereageerd had op de vraag of ze beter een scharlakenrode kleur op haar nagels moest smeren, of kanariegeel. God weet wat ze met me doet als ik een paar uur niet reageer.
Mijn schuilplaats ligt tegenover het busstation, tussen een paar gigantische containers. De geur van afval is bijna niet te harden, maar er zijn in elk geval geen mensen. Somber kijk ik toe hoe de vierde bus die inmiddels is langsgekomen zich vult met een massa mensen. Ik zit hier al een uur. Zolang heeft het geduurd voor mijn handen om te stoppen met trillen, voor de misselijkheid om weg te trekken en voor mijn hart om weer in een aanvaardbaar ritme te kloppen.
De deuren van de bus slaan dicht en ik zit hier nog steeds, niet wetend waar ik de kracht vandaan moet halen om weer op te staan.
Misschien doe ik dat wel nooit meer.

Reacties (2)

  • Frodo

    Arme Winter.. ze is een van de meest likeable personages ooit.

    1 jaar geleden
  • NicoleStyles

    Oh jeez als je met al die gedachtes al moeite hebt met 20 meter lopen. Dan ga nooit de stad in haha.

    Ik vind dit verhaal echg geniaal en tot een zekere hoogte ook herkenbaar
    De struggles van het dagdelijks leven hihi

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen