Foto bij H58

Ik slaak een gil en Edward schrikt en verliest kort de controle over zijn stuur, maar stuurt gelukkig net op tijd bij om ons aan de kant van de weg te zetten, terwijl een auto ons toeterend voorbij rijdt.

Alaïs Spiorad pov.

‘Waarom gilde je, Alaïs?’, vraagt Edward iet wat in paniek. Ik negeer hem en draai me woedend naar achter. De motor van de auto was stilgelegd en de auto’s reden met hoge snelheden voorbij. “Wat moest dat voorstellen!”, snauw ik naar de witte gedaante die op de achterbank zit, zich ook weer stevig vastklampend aan de handvaten van de autodeuren. Hij laat ze langzaam los en gaat terug rustig zitten. “Ik wou gewoon laten zien dat mannen beter kunnen autorijden”, zegt hij nonchalant. Edward kijkt ook naar achteren, maar ziet niemand en hij kijkt me met een frons aan. “Geef gewoon toe dat je ons wilt laten verongelukken, net als bij mij”, zeg ik woedend naar hem en hij begint dan te lachen als een maniak. Ik geef hem nog een dodelijke blik en draai me weer naar voor. Edward draait zich ook naar voor en start de auto. Hij schraapt zijn keel en zegt: ‘Alaïs, ik breng je naar het ziekenhuis. Je begint waanbeelden te zien’ Hij zet zijn pinker op en maakt een scherpe bocht zodat we op de andere rijstrook terecht komen. Nu denkt hij ook nog dat ik gek ben. Ik hoor nog altijd de bulderende lach van de witte gedaante in mijn rechteroor. “Edward, ik heb geen waanbeelden. Ik zie gewoon dingen die jij niet kan zien”, zeg ik en langzaam wordt ik gek van het gelach. “IS HET NU AFGELOPEN MET DAT GELACH!”, snauw ik naar de geest als ik me omdraai. Hij stopt meteen met lachen en ik draai me met een zucht weer naar voor. Edward kijkt me bezorgd aan. ‘Alaïs, zoiets heet ook gewoon hallucinatie’, zegt hij en ik slaak een geërgerde zucht: “Edward, ik ben niet gek” ‘Dat zeg ik ook niet, ik zeg dat je hallucineert’, begint hij en de witte gedaante protesteert: “Zeg zeg, ik ben geen hallucinatie” Ik maak een spottend geluidje: “Probeer dat maar aan hem uit te leggen”, zeg ik en Edward negeert mij en vertelt verder: ‘Je moet je er niet voor schamen. Dat gebeurt vaak bij mensen die een ongeval hebben gehad’, legt hij uit en ik slaag mijn hoofd achterover. “Tuurlijk”, mompel ik. ‘Dat is waar wat… dingeske zegt’, staat de geest Edward nu bij. Ik sluit geïrriteerd mijn ogen, wetend dat hij weer zal beginnen te brabbelen.

‘Wist je dat hallucinaties menselijk zijn en dat geesten dat niet kunnen hebben? Anders had ik wel hallucinaties gehad toen jij mij verongelukte. Wel ja, een geest ben ik nu ook weer niet, maar het hangt er natuurlijk vanaf wat de definitie is van een geest. Wacht, ik zal het even opzoeken’, begint de witte gedaante zijn theorie. Ik open mijn ogen en kijk door de achteruitkijkspiegel wat hij aan het doen is. Uit zijn lange, witte gewaad haalt hij een woordenboekje en klapt die op zijn schoot open. Ik sluit mij ogen weer en probeer hem te negeren. Hij bladert er dan doorheen en begint voor te lezen als hij het gevonden heeft: ‘Er zijn verschillende definities voor geesten. Waarom zeg ik toch steeds geesten als ik zelf geen geest ben. Maar goed. Even kijken, welke definitie is de beste zodat een primate mens zoals jij het kan begrijpen… Ah, gevonden. Een verschijning van een dode persoon waarvan wordt aangenomen dat hij verschijnt of zichtbaar wordt voor de levenden, meestal als een vage afbeelding. Hmm, waarom kan dingske mij dan niet zien? Maar ik voel me absoluut niet dood, ik voel me springlevend. Ha! Ik zei springlevend! Maar ik ben dood! Oh, die grap moet ik ergens opschrijven, heeft iemand een pen?’ “Edward, heb je een pen”, vraag ik nog steeds met gesloten ogen en hij zegt: ‘Ja, in het handschoenenkastje.’ Ik voel hoe de witte gedaante bij mij komt hangen om het kastje open te doen en een blauwe pen eruit te pakken. Hij klapt het terug toe en Edward kijkt verschikt naar het gesloten handschoenenkastje. “Hoe-” ‘Niets zeggen Edward, laat het’, zeg ik en de witte gedaante begint weer te praten: ‘Bedankt dingske voor de pen. Oké, even de grap opschrijven… en voilà, klaar. Hé, maar wacht eens even. Als ik dood ben en ik bevindt me nu tussen de levenden, ben ik dan toch een geest of-’ “Hou je mond nu toch eens!”, onderbreek ik zijn monoloog en ik open mijn ogen terwijl ik rechtop ga zitten. “Ik zei niets Alaïs”, zegt Edward en ik draai met mijn ogen. “Niet jij, die andere”, zeg ik en Edward slaagt dan links af en neemt de afrit naar het ziekenhuis. “Ik heb wel een naam hé en daarbij, het is onbeleefd om iemand het zwijgen op te leggen”, protesteert de gedaante en als een klein kind slaagt hij zijn armen over elkaar.

Reacties (2)

  • Allmilla

    Omg hahaha, die geest is echt onmogelijk lastigxD(Ja voor mij blijft hij een geest, ik ben maar een "simpele primate mens"...;))

    1 jaar geleden
  • VampireMichelle

    “Hou je mond nu toch eens!”, onderbreek ik zijn monoloog en ik open mijn ogen terwijl ik rechtop ga zitten. “Ik zei niets Alaïs”, zegt Edward en ik draai met mijn ogen. “Niet jij, die andere”
    Geniaal dit echt geniaal ik wacht al de hele dag op dit stukje en dit is gewoon geniaal:)

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen