Foto bij H77 - 26 sept

Samen met Edward blijf ik verbaast achter. Wat was er met hem gebeurd en wat was die zogenaamde opdracht?

Alaïs Spiorad pov. (26 september)

Het is drie uur in de ochtend en ik prop mijn laatste stukje boterham in mij mond. “Mam, ik ga vertrekken!”, roep ik door het huis en pak mijn rugzak met mijn Athame, enkele kleren en eten erin. Het was vandaag vrijdag. Normaal had ik school, maar ik had de opdracht van Fausto in mijn achterhoofd die ik tot uitvoering ging brengen over de Barguest. Ik doe mijn jas en schoenen aan, tensamen met mijn sjaal en muts, en ga dan naar buiten. “Hélaba, naar waar ga je?”, hoor ik de geest achter me zeggen en ik stop midden in mijn actie. Ik draai me betrapt om. “Ik zei: naar waar ga je”, herhaalt de geest zichzelf en ik kijk naar de stapel etenswaren die in zijn armen ligt. Ik frons. Daarom is ons eten zo snel op. “Ik ga eerst nog even naar Edward en daarna naar school”, verzin ik en hij kijkt me sceptisch aan. Hij haalt dan zijn schouders op en verdwijnt in de woonkamer. Ik haal opgelucht adem en ga naar buiten. Ik open mijn auto en gooi mijn rugzak naar achteren. Ik ga zitten en hou mijn stuur stevig vast. Ik zucht. Na maandag had ik aan Henry gevraagd wat er nu was gebeurd. Hij zei enkel: “Met een paar vrienden wat te ruig in het bos gespeeld, niets om je zorgen over te maken” Ik wist dat het gelogen was, maar ik liet het erbij. Ik heb mijn geheimen, hij de zijne. Sinds dan gaat het weer beter met ons, maar hij blijft nog steeds wat afstandelijk. Ik slaak nog een zucht en start de auto. Van Oxford naar Dounreay was elf uur rijden, daarom was ik zo vroeg opgestaan. Ik start de motor en rijdt de verlichte weg op.

Na een lange rit met wat tussenstops kom ik eindelijk in Dounreay aan. Overal waar ik kijk zie ik grasweilanden met hier en daar een paar koeien in. Ik volg de enige weg die er is en kijk nog eens naar het adres op het papiertje. Geen straatnaam. Ik zucht en op de T-kruising ga ik op goed geluk naar links. Na nog enkel weilanden te hebben gezien zie ik plots een heel bouwcomplex uit het niets oprijzen. Ik stop de auto en kijk door de vooruit. “Wauw”, breng ik met verbazing uit. Ik frons en pak de kaart. Vreemd, hier staat normaal niets. Ik stap met een diepe frons uit en kijk met grote ogen achter het bouwcomplex. Nog geen drie kilometer verderop zie ik een grote kerncentrale. O jee, das niet goed. Ik zucht en schud mijn hoofd terwijl ik terug instap. Door de straling die de centrale uitstoot, worden vooral monsters aangetrokken, want zij gebruiken graag de energie. Mensen toch, zo onwetend. Ik draai de auto om en rijd de weg terug en ga deze keer rechtdoor.

Ik kijk nog eens op het papiertje waar het adres staat en zoek in de omgeving naar het juiste huisnummer. Nu ik in een bebouwde kom was gekomen, voelde ik me meer op het gemak dan bij die kerncentrale. Fausto had hier een vriend wonen die me met plezier zou willen opvangen en me onderdak zou geven. Hij zei ook dat zijn vriend een fan van me was. Ik glimlach als ik het huisnummer heb gevonden en rijd de oprit op. Het huis was redelijk groot en zag er ook gezellig uit. Ik stap uit en pak mijn rugzak en zwier hem op mijn schouder. Ik ga dan over het grindpad tussen de kleurrijke bloemen naar de voordeur en bel aan. De deur wordt kort daarna opengedaan door een vrouw en meteen vallen haar vele make-up lagen op . Ik glimlach naar haar en stel me kort even voor: “Hallo, ik ben Alaïs Spiorad. Een vriend van Fausto Casio zou me hier opvangen?” “Kom er maar in”, zegt ze lief en ik stap naar binnen. “ALAÏS!”, hoor ik een mannenstem overenthousiast roepen en een man komt met open armen mijn kant op. Hij had kort zwart haar met hier en daar een paar grijze lokken en aan zijn rimpels te zien was hij richting de 50. Met zijn donkergroene ogen kijkt hij me aan en steekt zijn hand uit. Ik pak hem aan en hij begint er hevig mee te schudden: “Ik ben een ENORME fan van je! Ik heb alle verhalen gehoord van Fausto en je bent echt geweldig!” ‘Danku’, is het enigste wat ik kan uitbrengen. Hij laat me dan los en kijkt naar de vrouw: “Dit is Melina en ik ben Ronald. Melina, breng haar tas al naar haar vertrek. Doe je jas en zo maar uit Alaïs, je bent hier thuis” De vrouw knikt lief naar me en ik geef haar mijn rugzak en doe mijn buitenkleding uit. Ik kon enkel niet uitmaken of de vrouw de dochter, vriendin, echtgenote of bediende was van Ronald. Haar make-up verbergt haar ware aard, iets waar ik niet tegen kan. “Kom, kom! Ik zal je wat te drinken geven”, zegt Ronald opgewonden en leidt me naar de keuken. Hij gebaart dat ik mag gaan zitten aan de ronde tafel en hij schuift me dan een mok met warme koffie toe. “Hoe weet je dat-” ‘Fausto’, zegt hij schouderophalend en gaat tegenover me zitten. “Kleur je je haar?”, vraagt hij dan nieuwsgierig en ik grinnik: “Nee, ik ben zo geboren” Ik nip verder van mijn koffie. Hij schuift plots een papier en een pen naar me toe en vraagt: “Zou ik je handtekening mogen?” Ik zet mijn mok neer en zet mijn signatuur op het papier. Hij pakt het papiertje terug en kijkt er met twinkelende ogen naar. Hij staat op en legt het papier in een fotokader, waarna hij die ophangt, tensamen met een foto van mij erin. Ik slik. Okéeee, creepy. Ik drink mijn tas leeg en Ronald pakt mijn tas om hem dan in de pombak te zetten. “Kom maar, ik zal je een rondleiding geven”, zegt Ronald nog even enthousiast en ik sta dan op om hem te volgen.

Reacties (1)

  • Allmilla

    Ik mag die Ronald wel, hij lijkt me best gezellig(Y)

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen