–Het was een dag als alle andere, hartje winter. De duisternis had het land opgeslokt, de zon had zich al anderhalve maand niet laten zien. De vrieskou joeg tussen de bomen door. De gedaante in het bos hoestte en rochelde, rode druppels vielen in de dikke laag sneeuw. Bloedrood op helder wit. De maan liet haar licht tussen de bomen door glijden.
      Zijn blik gleed naar het huis. Het was een klein, houten huisje waarin hij al zijn halve leven woonde. Wanneer de kachel brandde, rook het er naar hout. De geur bracht herinneringen aan zijn jeugd naar boven, alsof hij even weer twaalf jaar was. In gedachten voelde hij weer de lange blonde haren van zijn moeder, kriebelend in zijn gezicht, als ze hem knuffelde. Hij voelde de warme huid van haar hand op zijn wang, alsof ze hem wilde troosten. Hij voelde de gemene blikken van mijn broer op hem gericht, de woeste blikken in zijn ogen. Hij voelde de grote hand om zijn bovenarm. De vernederende houding. Hoorde de harde opmerkingen. De scheldwoorden, het gevloek. De haat. Alsof zijn broer hem de schuld gaf van de dood van hun vader, die een jaar geleden in een diep ravijn stortte en niet meer thuis was gekomen. Niemand had geweten dat in die beschuldigingen ook een kern van waarheid lag. Niet voor niets hadden de remmen gestaakt op het moment dat ze het hardst nodig waren, niet voor niets was de auto gaan schuiven onder zijn eigen gewicht, met zijn vader erin als speelbal van de natuurwetten.
      Met trillende handen stak de schaduw een sigaret op. De rook steeg op en verdween in de koude lucht. Voor hem bevond zich het bos. Grote dennen gaven hem het gevoel dat hij niemand was. Een onbenullig persoon, die de natuur probeerde te trotseren, maar zonder pardon werd afgestraft. Want de natuur, die was onvoorspelbaar, grimmig en genadeloos. In de verte huppelde een hert over het onzichtbare zandpad. Pure onschuld die snel ten prooi zou vallen aan harteloze jagers of roofdieren. Boven hem hingen dikke, witte wolken. Dreigend. Alsof ze wisten wat eraan kwam. Alsof ze wisten dat zijn leven hierna nooit meer hetzelfde zou zijn.
      Het pistool in zijn jaszak botste tegen zijn dijbeen toen hij terugliep naar het huis. Hij drukte het tegen zijn lichaam, wetend dat het hem zou bijstaan in moeilijke situaties. Wetend dat hij alle controle zou hebben en aan de winnende hand zou zijn. De sigaret liet hij in de sneeuw vallen, de oranje gloeiende punt doofde onmiddellijk uit. Hij trok de zware deur open en werd overweldigd door de warmte. Meteen trok hij zijn jas uit. Het geluid van knisperend vuur stelde hem gerust. Het zou snel genoeg voorbij zijn. Hij haalde het pistool uit de zak van zijn jas en legde het op de keukentafel, waarna hij een fles whisky uit de kast pakte, de dop eraf draaide en drie flinke slokken nam. De scherpe smaak brandde in zijn keel, het was fijn. Alsof hij een oude vriend terugzag. Eentje die hem niet in de steek zou laten, zolang als hij leefde.
      De gestalte zuchtte. Niemand kon hem tegenhouden. Niemand zou hem durven tegenhouden. Ze waren allemaal hetzelfde. Lafbekken. Wacht maar. Ze zouden alle kleuren van de regenboog schijten van doodsangst. Ze zouden om genade smeken. Ze zouden hem smeken hen de pijn te besparen. Ze zouden hem smeken hen te vermoorden.
      Zijn naam was Järke Roslund en hij had een missie.

Reacties (3)

  • NicoleStyles

    Oke mij heb je te pakken! ik wil hier meer van:9~

    1 maand geleden
  • aarsvogel

    Wauw, echt een heerlijke schrijfstijl. Ik ben heel benieuwd(nerd)

    1 maand geleden
  • Histoire

    Mooie schrijfstijl. (:
    Ik vind dat je de duisternis goed uit.

    1 maand geleden
    • Nilas

      Dank je wel!(flower)

      1 maand geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen