–Zijn voetstappen dreunden op de vloer van het ziekenhuis. De gelige muren namen de steriele uitstraling weg, die veel ziekenhuizen wel hadden. Hij vond het een fijne plek om te werken. Haastig wurmde hij zich tussen groepen mensen door, hij was al te laat. Onhandig trok hij zijn witte jas uit, die achter hem aan zweefde. Zijn stethoscoop borg hij, al lopend, op in zijn tas.
      'Fijn weekend, Kaj!' riep de receptioniste, die wist dat hij op vrijdagmiddag al vroeg naar huis ging. Hij stak een hand naar haar op, en verdween daarna de draaideur in. Die bewoog irritant langzaam, maar hij kon er niets aan doen. Zijn kauwgom spuugde hij uit in een afvalbak die buiten tegen de muur aan stond. Vlak voor hem bevond zich een kiss-and-ride, voor mensen die gauw bij het ziekenhuis moesten worden afgezet of opgehaald. Het was er druk. Kaj hield stil en tuurde in het rond. Uiteindelijk zag hij de blauwe Opel, die helemaal aan de linkerkant stond te wachten. Opgelucht beende Kaj er naartoe, om vervolgens het portier aan de passagierszijde open te trekken. 'Dag Järke,' zei hij.
      De bestuurder knikte naar hem bij wijze van begroeting, maar zei niets.
      'Het spijt me dat ik wat later ben, het spreekuur liep uit.' Kaj bekeek de man, die nog maar een schaduw was van de levenslustige persoon die hij jaren geleden was geweest. Ingevallen, lege ogen. Een totaal gebrek aan mimiek, gespannen schouders. Järke zag er slecht uit. Het was alsof hij vannacht nauwelijks had geslapen, en misschien was dat ook wel zo.
      Kaj gunde het hem niet. De ziekte. Het was een slopend traject, nu al, en dat terwijl Järke nog niet de dertig jaar had aangetikt. De eerste dag na de diagnose had Järke hem in een dronken bui uitgemaakt voor alles wat lelijk en smerig was; de tweede dag had hij een glazen pui kapotgeslagen zonder daarna ook maar enige vorm van berouw te tonen. De derde dag had hij bekend gemaakt geen enkele behandeling te willen.
      Dat was het moment geweest dat de alerte en levendige blik in zijn ogen was veranderd in een grauwe diepte zonder bodem.
      Kaj had hem zien aftakelen. De hoestbuien. De woede en frustratie die hij nergens kwijt kon. Kaj wist dat het erbij hoorde, maar had het hem desondanks kwalijk genomen. De uitnodiging die Järke hem vorige week had gestuurd, om vanavond een hapje te gaan eten, had hij opgevat als een vorm van excuses. Een sorry waartoe Järke tot nu toe nog niet in staat was geweest.
      'Heb je ergens gereserveerd?' vroeg Kaj toen om de vervelende stilte te verbreken. De man naast hem knikte, maar bleef zwijgen. Met zijn rechterwijsvinger drukte hij op het knopje van de radio. Harde muziek knalde uit de boxen, Kaj schrok ervan. Naast hem klonk een scherpe klik. Het autoslot. Hij had de deur op slot gedaan.
      Hij had de deur op slot gedaan.
      En nu grijnsde hij breed. Zijn tanden waren abnormaal wit.
      De felheid in de strakke blik maakte Kaj bang. 'Järke, wat doe je?' Zijn stem klonk niet meer als die van de zelfverzekerde longarts, maar als die van een ree dat recht in de koplampen van een truck keek, enkele seconden voor de klap zou komen. Verschrikt, bang. Zijn hart bonkte in zijn keel. Dat Järke nog altijd niets zei, was een heel slecht teken.
      'Järke, verdomme!' Verwoed begon Kaj aan de klink van het autoportier te sjorren, maar het hielp niet. Hij was niet van plan toe te geven. 'Wat ben je van plan, Järke, in godsnaam?'
      Terwijl hij afremde voor een stoplicht, bewoog zijn rechterhand naar zijn jaszak. Kort bleef het daar, om vervolgens weer te verschijnen, maar nu met een pistool tussen zijn vingers. Een pistool dat hij in Kajs zij drukte, hard, zo hard dat die zijn rompspieren moest aanspannen om de druk te verminderen.
      'Wij gaan een stukje rijden.'
      De stem klonk vlak en kalm. Het was het enige wat hij zei gedurende de lange rit. Ook Kaj zweeg. Hij wist niet wat hij moest zeggen om zijn patiënt te kalmeren. Om hem van gedachten te doen veranderen.
      Uiteindelijk sloeg Järke af, een smal weggetje op, dat spekglad leek door de platgereden sneeuw. Hij reed hard, veel te hard, en diep in zijn hart hoopte Kaj dat ze tegen een boom zouden rijden. Want hij was ervan overtuigd dat Järke hem vreselijke dingen wilde aandoen.
      'We zijn er.'
      Kaj keek opzij, en zag te laat dat de vuist met ongekende snelheid op hem af kwam.

      –Wat Kaj als eerste opviel, was de geur. Nat hout.
      Zijn hoofd voelde dof en leeg. Helder denken was onmogelijk. Hij probeerde na te gaan wat er was gebeurd, maar kwam niet verder dan de laatste patiënt die hij op zijn spreekuur had gezien. Welke dag het was, wist hij niet.
      Langzaam opende hij zijn ogen, die dichtgeplakt leken met pus. Voorzichtig bewoog hij zijn hoofd naar links, om te zien wat zich om hem heen bevond. En toen voelde hij de pijn. De kloppende pijn, die overal in zijn hoofd leek te zitten. Het bonkte, het stak, zeurde en zaagde, en hij wist niet wat hij ertegen kon doen. Hij wilde zijn linkerhand naar zijn hoofd brengen, maar dat ging niet.
      Het duurde even voordat hij begreep waarom dat niet ging. Maar langzaam kwam de angst weer terug. Zijn hartslag steeg. Om zijn beide polsen zat een dik touw, strak aangetrokken, en vastgeknoopt aan twee tafelpoten aan weerszijden van hem. Voor zijn enkels gold hetzelfde. Hij lag op zijn rug op een houten tafel, en Järke had hem vastgebonden.
      Toen kwam het besef.
      Uit alle macht probeerde hij te schreeuwen, maar uit zijn keel kwam niets anders dan een slap gekraak.
      'Zeg nog één woord, en ik snijd je strot door.'
      Kaj kende Järke niet meer terug. Hij was niets meer dan een ijskoude klootzak die van plan was verschrikkelijke dingen met hem te doen. Zijn comfortabele houding was angstaanjagend. Kaj hield zich in en probeerde niet te schreeuwen, terwijl hij toekeek hoe zijn belager langzaam neerzakte in een gemakkelijke stoel. Op zijn schoot legde hij een scalpel.
      Minuten gleden voorbij. De staande klok in de krappe ruimte tikte elke seconde, Kaj werd er nerveus van. Alsof Järke aan het aftellen was.
      Uiteindelijk stond hij op. Tergend traag kwam hij Kajs kant op, wiens ademhaling versnelde. Een zielig gepiep ontsnapte uit zijn keel. Van de assertieve dokter was geen spoortje meer over.
      Het blad van de scalpel flitste in het zwakke licht van de spotjes aan het plafond. Kaj kneep zijn ogen dicht, bang voor wat zou komen. Wat volgde was een scherpe pijn, die doordrong tot op het bot van zijn linkerpols. Kaj schreeuwde. Rukte aan het touw waarmee hij aan de tafel was vastgebonden. Kansloos. Bang voor wat hij zou zien, keek hij naar zijn pols en zag de scalpel recht omhoog steken. Een stroompje bloed ontsnapte uit de wond, donkerrode druppels vielen op de grond.
      Järke stond daar maar, doodstil, alsof de tijd was bevroren. Zijn ogen waren leeg. Zielloos. Alsof hij dood was. 'Ik haat je,' fluisterde hij toen hees. De afkeer droop van zijn koude stem. 'Ik haat je, Kaj.' Zijn rechterhand bewoog naar het mesje, Kaj begon opnieuw te gillen. Te brullen alsof zijn laatste uur had geslagen. Maar niemand zou hem horen.
      De pijn verspreidde zich door zijn gehele linkerarm, en toen begreep hij wat Järke had gedaan. Doodsbang keek hij opzij, zijn borstkas ging wild op en neer. Hij bewoog zijn vingers. Althans, dat registreerden zijn hersenen. Maar de hand bewoog niet.
      Die had Järke van zijn lichaam gescheiden.
      'Eén van vier.'
      Godverdomme. Dit was nog maar het begin. Kaj begon te huilen. Hij had de afgelopen tien jaar niet meer gehuild. 'Järke, stop hiermee,' gilde hij.
      ’Hou je fucking bek dicht. Je verpest de lol.' Weer die ellendige grijns.
      Zijn keel werd dichtgeknepen door een onzichtbare hand, die Kaj de adem benam. Gierend probeerde hij lucht in zijn longen te zuigen, maar het leek niet toereikend. De paniek had zich door zijn hele lichaam verspreid en was genadeloos. Net als Järke.
      Järke was naar de linkervoet gelopen. Hij ging verdomme gewoon het rijtje af. Het was om misselijk van te worden. Het mesje was inmiddels rood van het bloed, Järkes hand ook. Met een vies gezicht veegde hij die af aan een witte handdoek, die nu niet langer wit was. Zijn ogen spuwden vuur. De hand met de scalpel bewoog omlaag.
      Kaj krijste opnieuw. Rukte met zijn voet aan het touw, tevergeefs, want Järke was goed in knopen leggen. Hij vocht, knokte voor zijn leven, maar wist tegelijkertijd dat hij geen enkele mogelijkheid had om hier weg te geraken, om te ontsnappen uit deze hel. Zijn lichaam stond strak gespannen, zijn rug was zo hol als mogelijk. Zijn ogen had hij dichtgeknepen om maar niets te hoeven zien. Maar de pijn leek nu nog veel erger. Hij voelde het mesje dieper in het vlees snijden, precies in het enkelgewricht, tussen de botten van zijn onderbeen en voet door.
      Zijn gehuil ging over in zacht gesnik, met af en toe een pijnlijke kreet. De pijn was niet te harden. En Järke was pas op de helft. ‘Alsjeblieft…' jankte Kaj, niet eens verwachtend dat het monster naar hem zou luisteren. 'Vermoord me, alsjeblieft…'
      Järke begon te lachen alsof het grappig was. Langzaam ging hij boven Kaj hangen, met zijn handen aan weerszijden van diens hoofd.
      Kaj rook de alcohollucht. Hij sloot zijn ogen opnieuw. Zijn ademhaling was onregelmatig en ondiep.
      'Dacht je echt dat ik je zomaar uit je lijden zou verlossen?'
      Kaj kreunde. Maakte beestachtige geluiden, maar niemand hoorde hem.
      ‘Smerige rat.'
Kaj opende zijn ogen weer en zag de harde gelaatstrekken van zijn belager.
      ‘Ik walg van je. Weet je dat?' Gefascineerd, bijna geamuseerd, bestudeerde Järke Kajs onderbeen. Bloed gutste uit de gapende wond, alsof het leven zo naar buiten stroomde.
      Kaj liet zijn adem rillerig ontsnappen. De doodsangst had hem uitgeput. De droomloze bewusteloosheid omarmde hem als een warme deken.

      –De volgende uren zweefde Kaj tussen slapen en waken in. De pijn voelde hij al niet meer. De angst des te meer. Hij ging dood. Vandaag.
      Järke ging zijn gang maar. Kaj wilde niet meer. Hij wilde dit niet meer. Het kon hem niets meer schelen.
      'Waag het niet om nu al dood te gaan, Kaj.'
      Zijn stem. De stem die zo verdomd kalm klonk, en dat terwijl hij iemand langzaam en pijnlijk aan het vermoorden was. Het was om van te kotsen. Even vroeg zich af hoe veel kronkels Järke in zijn hersens moest hebben om hiertoe in staat te zijn.
      'Het feestje is nog maar net begonnen.'
      Kaj wierp een korte blik op zijn rechterhand – of beter gezegd, wat daarvan over was. Dit was ziek. Järke was ziek in zijn hoofd. Compleet geschift. 'Vermoord me,' fluisterde hij nogmaals, maar het monster leek hem niet te horen. 'Vermoord me, alsjeblieft.'
      'Nee.'
      'Järke…' Zachtjes begon Kaj weer te huilen.
      'Hou je fucking rotkop dicht of ik ruk je ingewanden eruit.'
      Hij hoorde frustratie in zijn stem. En even, heel even, kreeg hij hoop, maar dat gevoel verdween onmiddellijk weer toen hij het mesje voor de laatste keer in zijn lichaam zag neerdalen. Zijn rechterenkel. Vier van vier.
      Weer werd het donker.

      –De tunnel van licht wisselde zich af met de realiteit. Flarden van afgesneden ledematen flitsten door zijn gezichtsveld. Af en toe slaagde hij erin zijn hoofd op te heffen om Järke aan te kijken, die weer in zijn stoel was neergezakt. Hij leek zo ontspannen. Wachtend op de dood.
      Zijn hoofd bonkte terug op de houten tafel. Donkerrood vocht was op de grond gestroomd, als een riviertje dat buiten zijn oevers was getreden. De weeïge stank was overweldigend, als onheil dat zich had verspreid door de ruimte. Een dikke mist, die niet meer zou verdwijnen.
      Kaj was aan het sterven. Een gruwelijke dood die hij niemand toewenste. Behalve Järke.
      Huilen deed hij al niet meer. Hij beet op zijn lip, maar zijn tong was zo droog dat hij zijn lippen niet meer bevochtigd kreeg. En hij sloot zijn ogen. Voor de laatste keer.

Reacties (1)

  • NicoleStyles

    Dit doet me zo erg aan Dexter denken, en ik hou van Dexter(H)
    Heel goed geschreven dit!
    Ben echt benieuwd naar de reden waarom Järke dit doet en wat zijn ziekte is.

    2 dagen geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen